<?xml version="1.0" encoding="iso-8859-1"?>
<rss version="2.0"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
>

<channel>
	<title>&#161;Ya Basta! Globalisering van onderop</title>
	<link>http://www.yabasta.be/</link>
	<description></description>
	<language>nl</language>
	<generator>SPIP - www.spip.net</generator>





	<item>
		<title>Harde tijden: wormen aan het werk</title>
		<link>http://yabasta.be/Harde-tijden-wormen-aan-het-werk</link>
		<guid isPermaLink="true">http://yabasta.be/Harde-tijden-wormen-aan-het-werk</guid>
		<dc:date>2009-04-07T07:18:37Z</dc:date>
		<dc:format>text/html</dc:format>
		<dc:language>nl</dc:language>
		<dc:creator>Johny Lenaerts</dc:creator>

<category domain="http://yabasta.be/-artikels-">artikels</category>

		<dc:subject>arbeid</dc:subject>

		<description>De Duitse schrijver Alfred D&#246;blin geeft een beeld van de economische crisis van de jaren dertig, dat, in het licht van een aantal recente gebeurtenissen, erg vertrouwd overkomt.

-
&lt;a href="http://yabasta.be/-artikels-" rel="directory"&gt;artikels&lt;/a&gt;

/ 
&lt;a href="http://yabasta.be/+-arbeid-+" rel="tag"&gt;arbeid&lt;/a&gt;

		</description>


 <content:encoded>&lt;img src=&quot;http://yabasta.be/IMG/arton599.jpg&quot; alt=&quot;&quot; align=&quot;right&quot; width=&quot;800&quot; height=&quot;494&quot; class=&quot;spip_logos&quot; /&gt;
		&lt;div class='rss_chapo'&gt;De Duitse schrijver Alfred D&#246;blin geeft een beeld van de economische crisis van de jaren dertig, dat, in het licht van een aantal recente gebeurtenissen, erg vertrouwd overkomt.&lt;/div&gt;
		&lt;div class='rss_texte'&gt;&lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;De Duitse schrijver Alfred D&#246;blin (1878-1957) werd wereldvermaard met zijn boek &#8216;Berlin Alexanderplatz' (1929), door Rainer Werner Fassbinder verfilmd tot een 14-delige televisieserie. Gevlucht voor de nazi's naar Parijs, schreef D&#246;blin de roman &#8216;Pardon wird nicht gegeben', die in 1935 in Amsterdam zou verschijnen. Naast een aantal autobiografische elementen heeft het boek als thema: het sedert het begin van de industrialisering gepleegde verraad van de Duitse burgerij aan de eens door haar gehuldigde vrijheidsidealen. Dit wordt duidelijk in de hoofdfiguur Karl. Pas in het aanschijn van de dood vindt hij de - in zijn leven onderdrukte - socialistische idee terug. Hierdoor zet hij, weliswaar te laat om nog praktisch werkzaam te kunnen zijn, precies die stap naar de kant van de arbeiders, die D&#246;blin in 1931 de intellectuelen aangeraden had in zijn essay &#8216;Wissen und Ver&#228;ndern'. &#8216;Pardon wird nicht gegeben' is een sleutelroman om D&#246;blins politiek standpunt tegenover de overwinning van het nazisme te kunnen verstaan. Met het uitbarsten van de grootste economische crisis sinds de jaren dertig loont het de moeite de roman terug onder de aandacht te brengen. Getuige de volgende uittreksels uit het hoofdstuk &#8216;Harde tijden'.&lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Er braken harde tijden aan. (&#8230;) Van ver weg kwamen slechte berichten &#8211; ja, weids is de wereld, maar is ze werkelijk nog zo weids? &#8211; over faillissementen en bankbreuken, maar wie heeft daar per slot van rekening een boodschap aan, een paar blessures zo hier en daar kunnen geen kwaad. Van nu af aan doken er allerlei vreemde namen in de kranten op en die verdwenen niet meer, een ergerlijke vlek.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Je hoorde over aandelenkoersen en hun catastrofale dalingen, deze en gene had miljoenen verloren, er was ergens een geweldige zwendel aan het licht gekomen, waarbij ongelooflijke bedragen ter sprake kwamen, zodat de eenvoudige loon- en salarisontvanger de haren te berge rezen. Er werden stemmen gehoord die beweerden dat deze zaken met een verachtelijk speculantendom samenhingen, het hele beurswezen zou besmet zijn, en dan was het nog maar een kleine stap naar de simpele gevolgtrekking, waar de arme loon- en salarisontvanger altijd al zeker van was: de beurs zelf is een besmettelijke ziekte. Aanvankelijk konden ze zich er nog mee troosten dat de getroffen landen geografisch ver verwijderd lagen, de kleine man had het idee dat je de telefoonverbindingen eenvoudigweg kon verbreken, er een soort quarantainegordel omheen optrekken. Verder dacht men er niet meer aan. Want iedere blik vanuit het raam op de straat toonde dat alles als vroeger was, het werd voorjaar, het werd zomer, wie geld had, ging op reis, wie niet, bleef thuis, velen wisten helemaal niets van het verschrikkelijke, verre malheur, eigenlijk was dat ook het beste. Het was welbeschouwd het verstandigste om de krant op te zeggen, geen kranten meer te lezen, zich niet zenuwachtig te laten maken! (&#8230;)&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Toen klonk er plotseling een weliswaar zachte, maar toch zeer doordringende jammerklacht, te vergelijken met kattegejank, uit industrie- en handelskringen op. Ze moesten geld terugbetalen. Op zich was dat niets bijzonders en zou het grote publiek, dat vreedzaam op zijn moordzaken en vliegtuigongelukken teerde, niet hebben opgewonden. Maar het waren zo ontzettend veel bedrijven en zulke grote, en die konden geen van alle betalen! Het waren zulke machtige firma's, wier namen door hun waanzinnige groei in de laatste tien jaar beroemd waren geworden, hun aandelenkapitalen groeiden bijna maandelijks met een nul, je kon spreken van namen die met een luisterrijke glans omgeven waren. Zij konden schulden niet afbetalen die &#8211; ze op zich genomen hadden! (&#8230;)
Toch waren er handelslieden en industri&#235;len die het over de ware handelsmoraal hadden en geld terugbetaalden, dat was een edelmoedige daad waar ze dan ook binnen de korste keren aan te gronde gingen. (&#8230;)
De bouwactiviteit op het land en in de grote stad, dat plezierige uitbreiden, nam af. (&#8230;) Omdat de bouwactiviteit afnam, treurden met de metselaars ook de timmerlieden, die de balken bewerken en bijl en duimstok hanteren, treurden de glaszetters, de slotenmakers, de loodgieters, de schilders, de stoffeerders, de kachelsmeden en met hen hun vrouwen en kinderen, de familieleden die ze onderhielden, hun moeders, grootouders. En ook zij gingen bezuinigen en lieten de bakker, de slager, kleer- en schoenmaker minder verdienen. Daarentegen hielden ze zich vaker in kroegen op, waren thuis humeurig, mishandelden vrouw en kinderen.
Ook kregen de steenbakkerijen op het land en in de voorsteden minder stenen te bakken en konden arbeiders naar huis sturen.
Dit was het druppelende begin van de crisis. Het ging met horten en stoten verder. Toch was het mogelijk dat er op het land en in de grote stad nog altijd miljoenen mensen leefden die niets doorhadden en hoofdschuddend zeiden dat we niet moesten overdrijven, er zijn toch altijd goede en slechte tijden, en dit was nu toevallig een slechte tijd, daar was toch niets bijzonders aan, het zou wel weer voorbijgaan, het was best uit te houden, door hen in ieder geval wel. Wie naar hen luisterde, moest hun gelijk geven. (&#8230;)&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Het grote publiek begon na te denken. Het loopt nooit goed af als het grote publiek denkt. Het grijpt ook alleen in het uiterste geval naar dit machtsmiddel. Men dacht na over de tegenspoed die met rasse schreden naderde. (&#8230;)&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Er werden instuituten gebouwd (dat bouwen was uitstekend), die zich op het onderzoek naar de wetenschappelijke verbanden moesten richten, een soort maatschappelijke weerkunde en het bleek, dat de nieuwe wetenschap niet voor de oude astrologie en meteorologie onderdeed. In het bezit van grote bibliotheken en een gedurige stroom nieuwe informatie, waaronder zich ook waar gebeurd nieuws bevond, begonnen de professoren aan de instituten met hun talloze medewerkers grafieken te ontwerpen, net als doktoren boeken te schrijven en onstuimig artikelen te publiceren. Hun vlijt liet niets te wensen over, ze toonden aan hoe noodzakelijk ze waren. Zij waren een conjunctuur in de crisis. Zij bewezen en verklaarden heel duidelijk dat het aan de techniek lag, iets wat men eigenlijk al vermoedde, maar nu had men het zwart op wit met rode, groene en blauwe lijnen. Een ding, een onding, een monster dat techniek heette en dat men zo snel mogelijk in bedwang moest zien te krijgen om het het land uit te kunnen werken, had kwaadwillig de industrie te sterk ontwikkeld. Dit geniepig substantief had met behulp van nietsvermoedende ingenieurs de machine vervolmaakt, de productiewijze gemoderniseerd, en tot overmaat van ramp had alles goed, ja schitterend gefunctioneerd, de oogsten waren voortreffelijk uitgevallen, de mijnen hadden verbazingwekkende opbrengsten opgeleverd, wat deze mijnen voor enorme hoeveelheden in hun buik hadden, had niemand voor mogelijk gehouden. En omdat alles nu in groten getale voorradig was, zat er voor graan, koffie, koper, zink, niets anders op dan goedkoper te worden, en omdat ze goedkoper waren geworden, waren ze in prijs gedaald en loonden ze vervolgens de moeite weer niet, want dan leverden ze geen winst meer op, en zo verborg het goede en nuttige geld, verwend als het was, zich in de kelder en mokte, en wat die duizend tienduizend honderdduizend arbeiders die men in dienst had gehad betreft, die werden nu volledig overbodig, en dat is nu precies de oorzaak van de werkeloosheid, daar is niets verbazingwekkends aan, dat is zo klaar als een klontje. Dan is het vanzelfsprekend dat men de bedrijven moet inkrimpen om tot een ordelijke gang van zaken te komen.
Merkwaardig, zeiden de arbeiders en personeelsleden na enige tijd, om te moeten verkroppen dat het tot de ordelijke gang van zaken behoort dat wij op straat staan. Hun leiders en leermeesters overal ter wereld, die nog in de bedrijven en kantoren zaten, verklaarden: helaas is het nu eenmaal zo.
Ja, er greep verspreid over de hele aardbol een hoogst merkwaardig, onoverzichtelijk gebeuren plaats, de crisis. De hele wereld was ten tijde van de economische bloei van een vrolijke, wilde drukte vervuld, men was als een zegevierende legertroep in een dreunende hal samengekomen, men dronk en feestte, en steeds weer sleepte men goud, buit en slaven naar binnen.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Nu daalde er beklemming, stilte over de wereld neer. Angstig en verbeten nam iedereen die nog kracht had zijn positie in. Men begon zich tegen elkaar te wapenen. In het bouwwerk dat de economische groei had geschapen, ritselde en knisperde het. Er waren wormen aan het werk.&lt;/p&gt;&lt;/div&gt;
		&lt;div class='rss_ps'&gt;* Uit: Alfred D&#246;blin, &#8216;Er is geen pardon,' vertaald door Pieter Cramer, Amsterdam: Athenaeum &#8211; Polak &amp; Van Gennep, 1991, pp. 179-186.&lt;/div&gt;
		</content:encoded>


		

	</item>



	<item>
		<title>Toni Negri over precaire arbeid en een syndicalisme van de metropool</title>
		<link>http://yabasta.be/Toni-Negri-over-precaire-arbeid-en</link>
		<guid isPermaLink="true">http://yabasta.be/Toni-Negri-over-precaire-arbeid-en</guid>
		<dc:date>2007-05-02T14:47:02Z</dc:date>
		<dc:format>text/html</dc:format>
		<dc:language>nl</dc:language>
		

<category domain="http://yabasta.be/-strategie-">strategie</category>

		<dc:subject>arbeid</dc:subject>
		<dc:subject>cultuur</dc:subject>
		<dc:subject>economie</dc:subject>
		<dc:subject>politieke geschiedenis</dc:subject>
		<dc:subject>strategie</dc:subject>

		<description>&#8216;Het proletariaat is niet meer wat het geweest is, maar dat betekent niet dat het verdwenen is,' schrijven Michael Hardt en Toni Negri in &#8216;Empire'. &#8216;De samenstelling van het proletariaat is veranderd en dus moet ook ons begrip ervan veranderen.'

-
&lt;a href="http://yabasta.be/-strategie-" rel="directory"&gt;strategie&lt;/a&gt;

/ 
&lt;a href="http://yabasta.be/+-arbeid-+" rel="tag"&gt;arbeid&lt;/a&gt;, 
&lt;a href="http://yabasta.be/+-cultuur-+" rel="tag"&gt;cultuur&lt;/a&gt;, 
&lt;a href="http://yabasta.be/+-economie-+" rel="tag"&gt;economie&lt;/a&gt;, 
&lt;a href="http://yabasta.be/+-politieke-geschiedenis-+" rel="tag"&gt;politieke geschiedenis&lt;/a&gt;, 
&lt;a href="http://yabasta.be/+-strategie-+" rel="tag"&gt;strategie&lt;/a&gt;

		</description>


 <content:encoded>&lt;div class='rss_chapo'&gt;&#8216;Het proletariaat is niet meer wat het geweest is, maar dat betekent niet dat het verdwenen is,' schrijven Michael Hardt en Toni Negri in &#8216;Empire'. &#8216;De samenstelling van het proletariaat is veranderd en dus moet ook ons begrip ervan veranderen.' Hardt en Negri betogen dat onder de verschillende productiefiguren die tegenwoordig actief zijn, de figuur van immateri&#235;le arbeidskracht (betrokken bij communicatie, samenwerking en de productie en reproductie van affecten) in toenemende mate een centrale positie inneemt in zowel het schema van kapitalistische productie als in de samenstelling van het proletariaat. De kenniseconomie - Franse auteurs spreken van een &#8216;cognitief kapitalisme' - wordt gekenmerkt door een precarisering van de arbeid: arbeidscontracten zijn dikwijls van tijdelijke duur, vereisen een flexibele inzet, en garanderen geen gewaarborgd inkomen. Dit is iets wat het &#8216;digitale proletariaat' gemeen heeft met vele werkers in de dienstensector, zoals toerisme, horeca, schoonmaak, verpleging, maar ook met de culturele sector. Ook de fabrieksarbeid wordt meer en meer geprecariseerd, met de inzet van seizoensarbeiders, uitzendkrachten, oproepkrachten, en dergelijke meer, en met de uitbesteding aan onderaannemingsbedrijven, die als eerste de herstructurering van de arbeid moeten opvangen. Periodes van werkloosheid lossen - onzekere - periodes van arbeid af. Meestal gaat het om vrouwen en mannen tussen 18 en 35 jaar, heel dikwijls ook om immigranten. De Euromaydayparades willen hen een gezicht geven. Wat is de politieke betekenis van &#8216;het precariaat' en hoe kan het georganiseerd worden? Negri: &#8216;Hoe een adequaat strijdniveau bekomen? Door enqu&#234;tes uit te voeren over de metropool zoals we indertijd enqu&#234;tes uitvoerden in de fabrieken. Door de zwakke punten op te sporen en daaruit af te leiden waar we kunnen interveni&#235;ren, en door aan te tonen dat er geen gemeenschappelijk bestuur via een regering van rijken en gebaseerd op uitbuiting mogelijk is.' (Antonio Negri, &#8216;Goodbye mister socialism', Paris: Seuil, 2007.)&lt;/div&gt;
		&lt;div class='rss_texte'&gt;&lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;&lt;strong class=&quot;spip&quot;&gt;RVS: De &#8216;May Day' werpt een aantal problemen op: de verbreiding van de precariteit, de eis van de verdeling van rijkdom, de poging om de diffuse precariteit te organiseren. Kunnen we een beeld schetsen van de betekenis en de draagwijdte van dit fenomeen? De &#8216;May Day' is een samenkomst die ook in Europa navolging kent, met name in Spanje, al heeft het daar nog niet zo'n grote omvang aangenomen als in Itali&#235;, waar vooral Milaan succes kent.&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Toni Negri: Het is zeer belangrijk te merken hoe een toenemend aantal mensen buiten het syndicale en politieke kader om samenkomen, ni&#233;t om in de vakbondsbetogingen mee te lopen, maar om op de namiddag van de eerste mei hun eigen manifestatie te houden. Deze multitude vertoont iets nieuws, zelfs in de manier waarop ze zich op straat uitdrukt: grote symbolische praalwagens, geen betoging waarbij iedereen in de pas loopt. Het is eveneens een manier om, op een verdraaide wijze, de tradities van de &#8216;andere' arbeidersbeweging te recupereren. Deze multitude is samengesteld uit het cognitariaat, uit loonarbeiders van de kenniseconomie met een gemiddeld tot hoog opleidingsniveau, die gewend zijn te werken met de nieuwe software, zelfs indien ze niet actief zijn in de communicatiesector maar bijvoorbeeld in de dienstensector. Ze lijken een nieuwe arbeidskracht te vormen, de productieve arbeidskracht bij uitstek, die in staat is de productie en de circulatie van de waren te valoriseren. Dat alles vereist een theoretische opmerking en, bijgevolg, een politieke beoordeling.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;De theooretische opmerking: tegenwoordig - in tegenstelling tot wat links beweert - verloopt de evolutie van de sociale stratificaties uiteraard niet in de richting van een versterking van de middenklassen maar, daarentegen, in de richting van een uitbreiding van het proletariaat, waaraan men productieve functies toekent die eertijds voorbehouden waren voor de middenlagen. Vermits ze niet in staat is dit gegeven te begrijpen, plooit links zich terug op de verdediging van sociale stratificaties die tot het verleden behoren en ori&#235;nteert ze zich naar een politiek van allianties met de middenklassen, waarvan ze denkt dat ze door de opkomst van het cognitariaat niet veranderd zijn. Op maatschappelijk vlak monden deze standpunten uit in een fundamenteel conservatieve politiek - verdediging van de traditionele arbeidersklasse en alliantie met de klassieke middenklassen -, ze slaagt er dus niet in het fundamentele element van de precarisering van het cognitariaat te begrijpen. De nieuwe intellectuele functies van de arbeid impliceren een zeer grote mobiliteit en een zeer grote flexibiliteit. Twee elementen die dus inherent zijn aan de arbeidskracht. Men eist dikwijls van de arbeider dat hij zelf deze nieuwe kenmerken inziet, indien hij er de kracht en de capaciteit toe heeft. Enerzijds monden deze evoluties uit in een ervaring van uitbuiting die varieert in functie van de plaats en het moment, anders gezegd, in een ruimtelijke en temporele mobiliteit die door het patronaat opgelegd wordt, in het kader van een objectieve vermindering van loonarbeid en een reductie van de kost van de arbeidskracht. Een arbeidskracht die evenwel in feite geschoold, competent en krachtig is.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Wat in deze fenomenen op het spel staat zijn de modaliteiten van de ruil tussen loon en winst, en, bijgevolg, de structuur van de uitbuiting. De productiviteit is dikwijls veel nauwer verbonden met de accumulatie van elementen die waarde cre&#235;ren, en die verspreid worden en in circulatie gebracht worden vooraleer ze door het kapitaal opgevangen worden. Het zijn de werkende subjecten die samenwerken en die, bijgevolg, collectief produceren, en het is het kapitaal die deze productie inpalmt. Elk subject draagt in deze activiteit de rijkdom van zijn eigen kennis bij - zijn eigen hersenen als vast kapitaal - en brengt het aldus in circulatie. Tegenwoordig kan vanuit een theoretisch standpunt de uitbuiting in essentie wellicht gedefinieerd worden als de kapitalistische toe&#235;igening van de co&#246;peratieve kracht die de singulariteiten van de cognitieve arbeid in het maatschappelijk proces in werking stellen. Het is niet langer meer het kapitaal dat de arbeid organiseert, het is de arbeid die zichzelf organiseert, waarbij het kapitaal zich meester maakt van de subjectieve kracht.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;We kunnen tegenwoordig een nieuw economisch schema tekenen waarbij de breuklijnen niet langer meer op een simpele manier tussen kapitaal en arbeid verlopen, maar tussen het kapitaal en de verschillende arbeidsvormen die zich de &#233;&#233;n na de ander organiseren, buiten elke directe band met het kapitaal om. Het is niet langer meer het kapitaal die de capaciteit tot communicatie en co&#246;peratie produceert, maar het zijn de krachten zelf die zich als kracht manifesteren. De productiekrachten worden niet zo zeer gevormd door de krachten die zich onmiddellijk in de kracht van het kapitaal incorporeren, alswel door de fracties van de arbeidskracht die zich buiten het kapitaal situeren. Deze laatsten bevinden zich reeds in een situatie van exodus.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Vanuit politiek standpunt blijkt links niet te begrijpen dat er zich een fundamentele breuk voorgedaan heeft. Een breuk die zowel van culturele als van economische aard is en die eveneens te maken heeft met de biopolitieke band die de nieuwe arbeidskracht onderhoudt met de kapitalistische organisatie van de maatschappij. Het enige wat links zich nog kan voorstellen is het nemen van de macht, dit wil zeggen het vervangen van de kapitalisten in het beheer van de realiteit van de economische ontwikkeling. Daartegenover bestaat er geen enkele vorm van homogeniteit tussen, enerzijds, deze nieuwe arbeidskrachten en, anderzijds, het oude machtsbegrip en het openbare of private bezit van de productiemiddelen, dit wil zeggen de kapitalistische ontwikkeling - zelfs in zijn socialistische versie. Het probeem dat zich daarentegen hier stelt is dat van het gemeenschappelijke, dus dat van de capaciteit van de actoren om een reeks gemeenschappelijke waarden te kunnen ondersteunen.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Deze elementen komen op de &#8216;May Day' op een confuse manier aan de oppervlakte, met name wat de vraag naar een basisinkomen (revenu citoyen) betreft. Dit wil zeggen de politieke eis van het toekennen aan de burgers van fundamentele rechten die hun eigen reproductie garanderen, waaronder het recht op een behoorlijk loon. Indien de productieve basis in wezen gevormd wordt door het geheel van de maatschappelijke relaties en indien het de verhoudingen tussen de maatschappelijke krachten en de producenten zijn die de co&#246;peratieve kracht uitbouwen (onafhankelijk van elke kapitalistische interventie), dan is de arbeidskracht goed in staat om op eigen kracht rijkdom en orde te produceren. Dus die onafhankelijkheid en die zelfredzaamheid dienen in het loon erkend te worden.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Er bestaat een minder en een meer radicale opvatting van het basisinkomen. Minder radicaal, indien men het basisinkomen beschouwt als een element dat zelf functioneel is voor de kapitalistische ontwikkeling. De kapitalistische ontwikkeling heeft een relatie met het maatschappelijke doorgevoerd waarin de openbaarheid van het maatschappelijke de basis van de productie wordt: het basisinkomen zou bijgevolg de expressie kunnen zijn van een erkenning van de kapitalistische krachten van deze feitelijke toestand. Onder &#8216;functioneel' versta ik datgene wat men in elk geval van de subjecten vereist in ruil voor de toekenning van een inkomen, een compensatie die aanleiding kan geven tot diverse vormen van onderwerping, maar steeds in proporties die de loonuitbuitingsverhouding kan in stand houden en reproduceren. Anders gezegd, de hoogte van het basisinkomen zou in dit perspectief proportioneel zijn aan de kapitalistische mogelijkheden om de kapitalistische macht en de daarmee samenhangende hi&#235;rarchie&#235;n te reproduceren.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Anderzijds ben ik van mening dat de eis van een basisinkomen steeds meer de vorm aaneemt van de weigering van arbeid en van de loonverhouding. Bijgevolg wordt het basisinkomen, in de radicale opvatting, niet meer geregeld volgens het principe &#8216;voor wat hoort wat', maar verschijnt het als de definitieve bevestiging van de effectieve onafhankelijkheid en van de autonomie van de arbeiders tegenover het kapitaal. Dat zijn idee&#235;n die in omloop zijn bij de cognitieve arbeidskracht die gekarakteriseerd wordt door autonomie, onafhankelijkheid en de capaciteit tot co&#246;peratie.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;De &#8216;May Day' is een poging om een beeld van deze nieuwe arbeidskracht te geven. Het is geen toeval dat het vooral de &#8216;Chainworkers' zijn - dit wil zeggen de werkers in de commerci&#235;le ketenen - die aan de basis liggen van dit initiatief, dat de gebruikte mobilisatievormen via informatienetwerken lopen en, tenslotte, dat de &#8216;May Day', naast zuivere looneisen, een grote plaats toekent aan kwesties als het afwijzen van copyright, het vrij verkeer van software en de technische problemen die met de verspreiding van kennis samenhangen. Het zijn kwesties, of beter: strijdpunten, die op een autonome manier in Europa een uitdrukking beginnen te vinden, en zelfs verder gaan dan de intenties van de iniatiefnemers van de &#8216;May Day Parade'. Tegenwoordig is de &#8216;May Day' een autonoom proces, een netwerk dat in gans Europa bestaat en dat talrijke collectieven en uiteenlopende subjectiviteiten verenigt. Haar actie is gediversifieerd en illustreert de verschillende contradictoire niveaus waarmee deze actoren op lokaal vlak geconfronteerd worden. Er bestaan niettemin gemeenschappelijke punten: de eis van een universeel basisinkomen en de praktijk van radicale strijdvormen, die zich als een alternatief voor die van de vakbonden en de linkse partijen opwerpen. De &#8216;May Day' stelt veel m&#233;&#233;r voor dan een reeks &#8216;parades' die gelijktijdig in verschillende steden plaatsvinden. Het is een proces waarbij het nieuwe postfordistische proletariaat opnieuw samengesteld en gevormd wordt.
&lt;strong class=&quot;spip&quot;&gt;
RVS: De precaire arbeid is in Itali&#235; zeer verbreid. Hoe is de situatie in de andere Europese landen? Worden we geconfronteerd met een nieuw model van arbeidskracht, die specifiek is voor de huidige kapitaalcyclus?&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Toni Negri: De precarisering van de intellectuele arbeidskracht is &#233;&#233;n van de kenmerken van de nieuwe kapitalistische uitbuiting, met name in hetgeen men het Atlantisch liberalisme noemt, dit wil zeggen in het Anglo-Amerikaans model. Het lijkt duidelijk dat de verscherpte precarisering van de arbeidskracht zelfs bij de kapitalisten vrees oproept - zij drukken zeer duidelijk hun ongerustheid uit over de sociale destabilisatie die met de precarisering gepaard gaat alsook over de risico's van een extreme mobiliteit. De stromen immigrantenarbeid roepen eveneens een grote ongerustheid op. Deze stromen zijn overigens van fundamenteel belang geworden, want ze spelen een centrale rol in de transformaties van het sociale weefsel en in de devaloriseringsprocessen van de lonen. Maar het Angelsaksistische model heeft het gehaald omdat het verbonden is met de vooruitgang van de dienstensector en van de informatisering van het maatschappelijk veld. De evolutie naar een grotere precarisering lijkt bijgevolg onverzettelijk en onomkeerbaar.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Er bestaat dus een algemene dynamiek, die het andere model van het kapitalisme - het Frans-Duitse model - in een diepe crisis gestort heeft. Het verzet tegen deze maatschappelijke transformatie kwam onder meer tot uiting bij het afwijzen van de Europese grondwet en bij de - zelfs late - verbreiding van deze afwijzende houding bij bepaalde fracties van de Italiaanse, Duitse en Spaanse linkerzijde. Maar laten we hier goed opletten. Men kan deze tendens niet indijken of terugschroeven zonder eerst nieuwe dispositieven te cre&#235;ren die de arbeiders beschermen, zoals het basisinkomen en de nieuwe vormen van politieke vertegenwoordiging.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;De arbeidskracht wil niet precair zijn, maar wil vrij zijn om eventueel mobiel en flexibel te zijn. De mannen en vrouwen zien de arbeid vooral als een kracht die open staat voor deze evoluties in de zeden en gewoonten die van de vrijheid van de multitude van singulariteiten een fundamenteel element van het leven maakt.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;&lt;strong class=&quot;spip&quot;&gt;RVS: Er bestaat ook het probleem van de arbeidstijd en van de temporaliteit van de stad die haaks staat op het levensritme... Maar de precaire arbeid vertoont veel gelijkenissen met de dynamiek die aan het werk is bij de &#8216;working poor', met deze nieuwe arbeidsvorm die hen zo goed mogelijk in staat stelt te overleven. Wat valt hierover te zeggen?&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Toni Negri: Bij de eerste generaties immigranten bestond er een enorme arbeidscapaciteit, een verlangen om te vluchten, een recht op de vlucht: Marx zei dat de immigranten vrij zijn als vogels en deze vrijheid leek hem vele beloftes in te houden. Meer nog, de immigrant is niet altijd &#8216;arm': hij beschikt in het begin over een netwerk van relaties die hem in staat stelt zich in een stad te installeren. Ik ontken uiteraard niet dat de immigranten in vele gevallen een armoede kennen die soms dramatische vormen aanneemt. We zouden evenwel moeten beginnen met armoede te beschouwen als een krachtige motor met een grote productieve capaciteit. We zouden het begrip armoede niet langer moeten opvatten als louter uitsluiting, maar daarentegen de kracht van de armoede met een echte open geest benaderen. Op die manier de zaken bekijken, dat wil niet zeggen dat je je als een goede christen gaat gedragen, maar is een teken van realisme. Een realisme dat voortvloeit uit de vastsstelling dat we weinig kans hebben om de kapitalistische ontwikkeling starre en immobiele omheiningen (enclosures) te zien voortbrengen in het kader van een maatschappij waarin de flexibiliteit en de mobiliteit veralgemeend zijn. Men zou kunnen proberen de huidige maatschappij te sluiten en in hi&#235;rarchie&#235;n op te delen - iets wat de kapitalistische ontwikkeling nooit verboden heeft en soms zelfs ge&#235;ist -, maar het blijkt altijd veel moeilijker te zijn om uitsluitingsmechanismen door te voeren. Geen enkele barri&#232;re zal de onbedwingbare stromen van migratie en exodus kunnen indijken.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Het is op dit punt dat het meest strijdbare syndicalisme, het syndicalisme dat de invoering van een basisinkomen eist, een steeds meer transnationalere dimensie aanneemt en de hi&#235;rarchie&#235;n die de grenzen oproepen, breekt. Dat is bijvoorbeeld gebeurd in Californi&#235;, waar de strijdorganisaties van migranten die in schoonmaakploegen tewerkgesteld zijn - voor het merendeel Latino's - onder de naam &#8216;Justice for Janitors' een campagne gestart zijn om een transnationaal syndicaat tussen Mexico en de VS op te richten. Dat is een ervaring die men eveneens kan promoten in Europa, waar men al zo lang praat over de eenmaking van de verschillende nationale vakbondscentrales, waarbij men in elk geval aan elk van hen specifieke taken toebedeelt, terwijl de &#8216;syndicaten van de flows' daarentegen een zeer belangrijke rol kunnen spelen, waarbij zelfs het karakter zelf van de vakbonden, die nu een corporatistische kracht vormen, kan veranderd worden. Zelfs in Itali&#235; zijn de linkerzijde en de co&#246;peratieven grote machines voor de verdediging van de gevestigde belangen uit een ver verleden geworden... We moeten een radicale verandering op gang brengen.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;&lt;strong class=&quot;spip&quot;&gt;RVS: De &#8216;May Day' betekent een indrukwekkende mobilisatie, maar op dagelijks niveau slagen de organisaties van precairen er niet in om strijd te ontwikkelen of wortel te schieten. Men heeft geen belangwekkend niveau van zelforganisatie bereikt. In werkelijkheid zien we hoe zich geleidelijkaan individuele logica's in de ontwikkeling van looneisen nestelen, en d&#224;t ondanks het feit dat er gemeenschappelijke omstandigheden voorkomen. Het is moeilijk om heel concreet arbeidstrajecten te verenigen, zelfs als ze onderling identiek zijn. Wat valt hierover te zeggen?&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Toni Negri: Dat is juist, het is een groot probleem. Er werden een aantal strijdbewegingen ontwikkeld, maar we zien geen dynamiek voor een veralgemening van het inkomen tot stand komen. En nochtans is dat de enige manier om de mogelijkheid tot strijd voor een basisinkomen op gang te brengen. Anderzijds komt het voor dat strijdbare precaire arbeiders ingeschakeld worden in de syndicale structuur van de stabiele arbeid, in de vakbondsorganisatie voor arbeid van onbeperkte duur, en dat zij zich deze toe&#235;igenen, zoals in het geval van de strijd die momenteel gevoerd wordt in de transportsector in New Yok, waar vele precaire arbeiders bij betrokken zijn.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Over het algemeen heeft er altijd de hoop bestaan dat de strijd van de nieuwe arbeidskracht in zekere zin de rol van estafette op zich kan nemen: de oude vakbondsorganisaties zouden de &#233;&#233;n na de ander het estafettestokje aan de nieuwe arbeidskracht doorgeven, in de hoop niet altijd vanaf nul opnieuw te moeten beginnen. Spijtig genoeg bleek deze hoop dikwijls denkbeeldig te zijn.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Ik ben er ondanks alles van overtuigd dat de strijd van de precairen aan zichtbaarheid kan winnen op het niveau van de metropool, met name op het terrein van de gemeenschappelijke diensten of van de huisvesting. Vermits het moeilijk blijkt te zijn om een algemene looneis te stellen, is het misschien gemakkelijker om te beginnen denken aan al die rechten die verbonden zijn aan de reproductie van eenieder: gezondheid, cultuur, huisvesting, onderwijs. Een reeks rechten waarvan de uitoefening (en de erkenning) in elk geval een vorm van loon voorstelt. Dat alles zou voor de precairen van de metropool het begin kunnen betekenen van een universele looneis. De eisen die tijdens de algemene vergaderingen bij de universiteitsbezetting in Rome en in andere steden in Itali&#235; geformuleerd werden, getuigen van de openheid van de studenten voor dit soort algemene problematiek in verband met de metropool. Er begint een syndicalisme van de metropool op gang te komen.
(...)
De enige mogelijkheid om op het terrein van het basisinkomen vooruitgang te boeken, zo lijkt me, is het combineren van de metropolitane eis voor meer rechten met een uitgebreide arbeidersactie op het vlak van de lonen. We kunnen voor het moment rekenen op voorbeelden van mobilisaties op het vlak van het vervoer en de huisvesting. We dienen over te stappen van strijdvormen die verband houden met de fabriek, het loon en de directe verhouding tussen vakbond en patronaat... naar strijdvormen in verband met burgerschap en de biopolitieke fases van de ontwikkeling. Er zijn pogingen en ervaringen in deze richting geweest, maar de enqu&#234;te blijft een essentieel instrument om strijdplatformen over deze kwesties te kunnen uitwerken.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Ik ben ervan overtuigd dat de metropool voor de multitude betekent wat de fabriek voor de arbeidersklasse betekend heeft. Strijdvormen zoals die van de Parijse &#8216;banlieusards' zijn symmetrisch aan die welke de ludieten georganiseerd hadden in de fabrieken en die voorafgingen aan de vorming van een georganiseerde arbeidersklasse. Het zijn strijdbewegingen van sabotage, van breuk van de communicatie. Het loon is niet enkel ruilmiddel. Het gaat om krachtsverhoudingen die van belang zijn voor hun inhoud, maar eveneens in hun vorm en voor de identificatie van de strijdende subjecten. Voor mij bestaat het precariaat niet enkel uit ego&#239;stische wezens of uit louter individuen: dat is een beeld dat ook de arbeider soms van zichzelf wil geven, bijvoorbeeld tegenover de landbouwarbeiders. We zijn daarentegen zowat overal getuige van een revolutionaire wedersamenstelling van de subjecten, in de richting van de opbouw van het gemeenschappelijke. Het is dus in de verhouding tussen het nieuwe cognitieve proletariaat en de metropool, in een metropolitaans weefsel dat als dusdanig productief is, dat men moet beginnen met de loonkwestie op een andere manier te stellen, namelijk als hypothese van een basisinkomen dat opgevat wordt als gemeenschappelijke toe&#235;igening van de stad, dit wil zeggen niet enkel als een loonmassa maar nog steeds als een krachtsverhouding die uitgedrukt wordt in de functionering van de stad.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Maar, ik herhaal het, het blijft van fundamenteel belang om enqu&#234;tes te houden: over de flows en over de belangrijkste biopolitieke thema's. Men zal bijgevolg, naarmate men vooruitgang boekt, de inhoud die men aan dit alles moet geven veel duidelijker formuleren: we kunnen vandaag de lijst van te voeren acties niet opstellen. Enkel de enqu&#234;te kan de inhoud van de strijd bepalen.&lt;/p&gt;&lt;/div&gt;
		&lt;div class='rss_ps'&gt;Uit: Antonio Negri, &#8216;Goodbye mister socialism', Paris: Seuil, 2007, pp. 263-276. Vertaling: J.L.&lt;/div&gt;
		</content:encoded>


		

	</item>



	<item>
		<title>Wat is Links? Een stedelijke reflectie over &#8220;progressief beleid&#8221;. </title>
		<link>http://yabasta.be/Wat-is-Links-Een-stedelijke</link>
		<guid isPermaLink="true">http://yabasta.be/Wat-is-Links-Een-stedelijke</guid>
		<dc:date>2006-11-01T17:03:35Z</dc:date>
		<dc:format>text/html</dc:format>
		<dc:language>nl</dc:language>
		<dc:creator>Pascal Debruyne</dc:creator>

<category domain="http://yabasta.be/-democratie-">democratie</category>

		<dc:subject>arbeid</dc:subject>
		<dc:subject>politieke geschiedenis</dc:subject>
		<dc:subject>strategie</dc:subject>

		<description>&#8220;Goed bestuur&#8221;! Dat was het antwoord na 8 oktober op de vraag hoe dat immorele Vlaams Belang nu eindelijk eens op zijn plaats gezet werd. &#8220;Goed Bestuur&#8221; blijft sindsdien doorklinken als een mantra in diverse media. De alomvattendheid van het begrip is al even sterk als zijn totale leegheid. Het begrip is het zoveelste poging op tot d&#233;politisering die tekenend is voor onze situatie van &#8220;post-politiek&#8221;. Communicatieadviseurs, reclamejongens en citymarketing (...)

-
&lt;a href="http://yabasta.be/-democratie-" rel="directory"&gt;democratie&lt;/a&gt;

/ 
&lt;a href="http://yabasta.be/+-arbeid-+" rel="tag"&gt;arbeid&lt;/a&gt;, 
&lt;a href="http://yabasta.be/+-politieke-geschiedenis-+" rel="tag"&gt;politieke geschiedenis&lt;/a&gt;, 
&lt;a href="http://yabasta.be/+-strategie-+" rel="tag"&gt;strategie&lt;/a&gt;

		</description>


 <content:encoded>&lt;div class='rss_chapo'&gt;&#8220;Goed bestuur&#8221;! Dat was het antwoord na 8 oktober op de vraag hoe dat immorele Vlaams Belang nu eindelijk eens op zijn plaats gezet werd. &#8220;Goed Bestuur&#8221; blijft sindsdien doorklinken als een mantra in diverse media. De alomvattendheid van het begrip is al even sterk als zijn totale leegheid. Het begrip is het zoveelste poging op tot d&#233;politisering die tekenend is voor onze situatie van &#8220;post-politiek&#8221;. Communicatieadviseurs, reclamejongens en citymarketing zijn centrale spelers in dit stedelijk discours van &#8220;Goed Bestuur&#8221;. Op woensdag 29 november vraagt men zich in het Kunstencentrum Vooruit in Gent af &#8220;Wat is Links?&#8221;. Laat dit een aanzet zijn tot een voorafgaande bedenking...&lt;/div&gt;
		&lt;div class='rss_texte'&gt;&lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;&lt;strong class=&quot;spip&quot;&gt;Post-politiek en Endo-kolonisatie&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;&#8220;D&#233;politisering&#8221; bestaat erin de strijd tussen idee&#235;n zoveel mogelijk als verwaterd af te doen; zelfs als oudbollig. &#8220;D&#233; mensen&#8221; (een eerste beroemde poging tot d&#233;politisering) zijn niet meer ge&#239;nteresseerd in 'ruziemakers' of 'pessimisten' die telke male het feest in het centrum (waar &#8220;goed bestuurt&#8221; wordt) komen verstoren. &#8220;Goed bestuur&#8221; mikt voornamelijk op consensus. Voor mensen die tot hiertoe nog dachten dat democratie over de kanalisering ging van het meningsverschil, foei!&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;De Franse filosoof Paul Virilio voorspelde reeds in de jaren '80 hoe de neoliberale maatschappij, nu opgesmukt met pseudo-socialistische vlaggen (zoals de &#8220;A&#8221; van Antwerpen en &#8220;Een Hart voor Gent&#8221;), heel het ongenoegen en het democratische conflict zou neutraliseren. In de jaren '90 ontstond een nieuw socialisme, het Derdeweg socialisme (actieve welvaartstaat socialisme in Vlaanderen) dat (linkse) ideologi&#235;en dood heeft verklaard. Dit nieuwe socialisme heeft een toepasselijke functionalistische slogan bedacht: &#8220;It is what works that counts!&#8221;. De aanzet voor verdere depolitisering werd gegeven. Ook tijdens de laatste verkiezingen werden we hiermee geconfronteerd. Na 8 oktober 2006 kreeg de d&#233;politisering de naam: &#8220;Goed bestuur!&#8221;. &#8220;Gewoon de dingen aanpakken&#8221;, zo vermelden de kranten. Kiezers worden in deze trend van d&#233;politisering veelal herleid tot consumenten, politiek tot ofwel een etalage of een tot een goed functionerend bedrijf. Logo's vervangen ide&#235;en, consensus en het pseudo-harmonieuze verdraagzaamheid vervangt ideologisch conflict.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;In dit discours van &#8220;Goed Bestuur&#8221; is geen constitutief of ingebakken conflict meer aanwezig. Aan de ene kant zijn er enkel nog 'de mensen', 'de gewone man', 'het volk'. Jan Blommaert zegt hierover: 'Omdat het volk uniform is, is ook de publieke ruimte uniform en hoort in die publieke ruimte ook een uniforme stijl; &#233;&#233;n volk, &#233;&#233;n genre.' Aan politieke zijde wordt deze eerste golf van populisme nu aangevuld met &#8220;Goed Bestuur&#8221;. Politiek is consensus, zoveel is duidelijk.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Wanneer ideologie en complexe ide&#235;en niet meer relevant zijn, worden ook vorming en debat ondergeschikt. De ide&#235;en moeten zo eenvoudig mogelijk worden overgebracht. Hoe eenvoudiger de ide&#235;en, hoe makkelijker deze boodschap naar d&#233; mensen kan gebracht worden door reclametechnieken. Ook het toenemende belang van emoties in onze dramademocratie, geeft reclame een vooraanstaande rol. Iedereen achter deze (reclame)slogan krijgen, wordt de nieuwe uitdaging voor het stedelijk beleid. De &#8220;A&#8221; van Antwerpen moet bijvoorbeeld een goed gevoel brengen voor alle Antwerpenaren. Dit nieuwe 'wij-gevoel' van &#8220;A&#8221; komt te pas en te onpas naar voor. Zelfs na ernstige feiten als een racistische moord, weten deze reclamejongens dat productplacement belangrijk is. We zijn allen gelijk, want &#8220;Het Verdriet is van &#8220;A&#8221;!&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Paul Virilio noemt dit opslokkingsproces &#8216;endo-kolonisatie'. We worden volgens hem in het systeem gezogen zonder veel weerstand te bieden. Al wie protesteert, buiten de gewettigde en toege&#235;igende kanalen is ziek, deviant, verzuurd. De criticus moet afgezonderd worden. Kritiek wordt door deze &#8220;Goede Bestuurders&#8221; met een oneliner &#8220;Radio Deprimo&#8221; genoemd. Foucault zou dit een mentale kolonisering noemen! Deze tendens van d&#233;politisering brengt ons steeds meer in een stadium van post-politiek; een politiek zonder fricties en conflict.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;&lt;strong class=&quot;spip&quot;&gt;De functie van citymarketing en stadsontwikkeling&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Stadsontwikkeling en citymarketing, vervullen in dit proces van endo-kolonisatie een kerntaak voor stedelijke overheden. Deze zorgen voor de symbiose tussen marketing en politiek beleid. De vroegere &#8220;grijze stad&#8221; wordt door deze lui omgevormd tot een nette stad, waar een mens eindelijk eens op zijn gemak kan shoppen. In steden zoals Antwerpen en Gent dragen neparchitectuur, nieuwe megalomane projecten zoals de Oude Dokken aan de Gentse Dampoort en uitgekiende lichtprojecten omgebouwd tot 3Dprentjes en een haven voor Yachten, bij aan dit nette en cleane imago.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Dat veel van deze megalomane projecten de huisprijzen doen stijgen en sociale verdringing optreedt in bepaalde wijken, door de instroming van modieuze veelverdieners , is slechts een detail. Het nieuwe socialisme in de steden vervult een kernfunctie: een progressieve (gewetensvolle) verpakking aanbrengen! De nieuwe middenklasse terug verleiden om naar de stad te komen, is volgens deze nieuwe socialisten, progressief. Deze veelverdieners staan namelijk borg voor de betaalbaarheid van toekomstige sociale projecten. In die zin is de focus verleggen van de arbeidersklasse naar deze middenklasse een progressieve beslissing. De middenklasse ondersteunen is dus socialistisch!&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Toch moeten we misschien enkele bedenkingen noteren bij deze beleidskeuzes. Maarten Loopmans stelt het, met een verwijzing naar Henri Lefebre die pleit voor stedelijk diversiteit, als volgt: &#8220;Want ofschoon het duidelijk is dat de stad (in het bijzonder de fiscale inkomsten) wel vaart bij de al dan niet bestaande demografische trendbreuk, schiet de stedelijke samenleving die hieruit ontstaat Lefebvres doel voorbij. In plaats van een veralgemeende stedelijkheid in centrum en periferie, zijn we getuige van een suburbanisering van het centrum: the suburbs strike back/with a vengeance.&#8221; (Loopmans in Oikos Oktober/ November 2006) Deze nieuwe stadsbewoners willen niet echt een stad, waar diversiteit en conflict centraal staan, maar een dorpsgevoel temidden van die stad. Dat aan deze &#8220;progressieve&#8221; trend meestal ook een versterkt veiligheidsbeleid gekoppeld wordt ten einde alle conflict preventief te bestrijden, ontgaat velen. Een cleane stad vraagt cleane mensen, nietwaar?&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;De Xtra-controles en de actieve jacht op illegalen op het openbaar vervoer lijken alleen maar een ver verleden. Ook Gent ontsnapt hier niet aan. Na het sociale stadsvernieuwingsproject &#8220;Bruggen naar Rabot&#8221; stonden opeens een 80-tal roma's op straat. Alleen door de druk van krakers (die meestal negatief worden bestempeld) ging de stad bij de tweede kraakactie een gedoogbeleid op voorwaarden toepassen. Het alternatief was een maand tentenkamp, met beperkte bewegingsruimte. Vreemd toch wanneer deze Roma's niet eens illegaal waren? Hieruit blijkt de tragische kloof tussen de dwangmatige optimistische communicatie over dergelijke stadsprojecten en de dagelijkse praktijk in steden.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;&lt;strong class=&quot;spip&quot;&gt;Groeicoalities: de overspeligheid van de cultuurelite en de holle retoriek van verdraagzaamheid&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Niet alleen het holle &#8220;Goed Bestuur&#8221;, maar ook het dwangmatige &#8220;verdraagzaamheid&#8221; poetst het harmonieuze blazoen op. Hierdoor lijkt de culturele elite zich op &#233;&#233;n lijn te zetten met de &#8220;Goede Bestuurders&#8221;. De zogenaamde &#8220;groeicoalities&#8221; (een eenheid van voorname bedrijfsleiders, politici, media en natuurlijk de &#8220;culturele elite&#8221; die het geheel moet opsmukken) dragen op die manier &#233;&#233;n gedeelde boodschap uit. De verdraagzaamheidsconcerten zijn hier typerend voor. Deze concerten zetten het hele politieke centrum uit de wind. Het zijn concerten van de goegemeente tegen het Duivelse Vlaams Belang. Het waarom, hoe, wie van de winst van deze extreem-rechtse partij wordt hier niet gesteld. Het feit dat je sociaal verdrongen wordt omdat een nieuwe middenklasse het Zuid koloniseert of je gediscrimineerd wordt als allochtoon omdat &#8220;gelijke kansen&#8221; meer een holle slogan is, dan een afdwingbare praktijk, heeft geen plaats in dit discours. Verdraagzaamheidsconcerten zoals de 01.10-happening worden het participatiegebeuren bij uitstek.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Toch kunnen deze d&#233;politisering en de dwangmatige verdraagzaamheid kunnen ook een vorm van repressieve tolerantie teweegbrengen. Ze verhullen de macht door hun harmonieuze uitstraling, maar daarom is diezelfde machtscomponent nog niet verdwenen. Het is dan ook niet vreemd dat 's morgens de kwaliteitskranten kopten &#8220;Waar zijn de allochtonen?&#8221; Niemand weet echt wat het gedepolitiseerde verdraagzaamheid zeggen wil, maar toch....Verdraagzaamheid is blijkbaar een plicht! Deze dwangmatige eis tot conformeren aan beide van discours (&#8220;Goed Bestuur&#8221; en &#8220;verdraagzaamheid&#8221;), ten einde de baarlijke duivels van het Blok af te remmen, remt echter ook een 'ander' discours af. Niet alleen de rechtse kritiek, maar ook een Linkse kritiek worden op die manier gemarginaliseerd. De dwangbuis van dit tolerante keurslijf houdt de kritiek op structurele ongelijkheid en sociale ontrechtvaardigheid op een veilige afstand.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Nochtans blijkt deze structurele kritiek niet volledig onterecht. Nogmaals Loopmans over Antwerpen: &#8220;De structuur van de woningmarkt en de ruimtelijke ordening is hierin een heel bepalende factor. In Antwerpen-Noord worden die ongelijke kansen schrijnend duidelijk. Antwerpen, met haar tekort aan open ruimte, overdaad aan appartementen en kleine tuinen kan in de strijd om de grootverdienende gezinnen met kinderen nooit ernstig opboksen tegen groene gemeenten met grote vrijstaande woningen op grote percelen. Net zo is het voor een buurt als Stuivenberg, met haar chaotische mix van arbeidershuizen, krotten, middenstandswoningen, kleine winkels, smalle en kronkelige steegjes en straatjes moeilijker om hoge inkomensgroepen aan te trekken dan voor de Atheneumbuurt, met haar statige lanen en pleinen vol ruime herenhuizen. (Loopmans in Oikos Oktober-November)&#8221;&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Hetzelfde geldt voor Gent. Het centrum van de stad is reeds &#8216;ontruimt'. Daardoor krijgen toeristen en een nieuwe consumerende middenklasse terug een veilige stad. Maar men stopt niet bij het centrum natuurlijk. Zoals het een waarlijk hedendaags progressief beleid betaamt, wordt gesteld: &#8220;Men kan niet stoppen bij het centrum!&#8221;. Nu komen de 19de eeuwse gordelwijken aan bod. Natuurlijk is geen mens t&#233;gen deze veranderingen in deze wijken. De armoedeindicatoren tonen de woon en-huisvestingsproblematiek, alsook de sociaal-economische achterstelling in de 19de gordelwijken, voldoende aan. Dit stadsvernieuwingsbeleid wordt echter uitgevoerd op basis van een mix van goede bedoelingen, vertaald in begrippen als &#8220;sociale mix&#8221; en eenmalige structurele ingrepen. Bij Bruggen naar het Rabot heeft men niet veel gedaan aan de woonproblematiek in de wijk. Men plant gewoon enkele middenklassewoningen neer midden de wijk. Deze opsmuk verhelpt niks aan de woonproblematiek die nochtans meermaals is aangetoond.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Over de neveneffecten van deze goede bedoelingen zoals sociale verdringing, wat ook veelal een gedwongen verhuis naar buurten met een lagere omgevingskwaliteit, en met slechtere woningen betekent, blijft het wonderbaarlijk stil... Nochtans: &#8220;Door gentrification ondergaat een belangrijk deel van de bestaande woningvoorraad een upgrading, en zijn lage inkomensgroepen aangewezen op een steeds kleiner wordend segment van de woningmarkt: zo kreeg de huisjesmelkerij met haar krotwoningen en overbewoning een nieuwe impuls. Maar er is nog een wereld van verschil tussen de verdringing van bepaalde groepen als (misschien onbewust en onbedoeld) neveneffect van gentrification, en de actieve verjaging ervan als randvoorwaarde.&#8221; (Loopmans- Oikos Oktober/ November 2006) Door het tekort aan middelen en de hardnekkige weigering over een bovenstedelijke solidariteit en fiscaliteit na te denken, blijft men bij de strategie van een nieuwe middenklasse aantrekken. Nochtans zou hier de enorme kans liggen voor een echte progressieve strategie.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Onlangs hoorde ik vanuit de rangen van de stad Gent de reden waarom er eigenlijk zo weinig gezegd wordt over de neveneffecten van dit stadsbeleid rond stadsontwikkeling. Er zou sinds decennia een anti-stedelijke mentaliteit geweest zijn. De stad werd hierdoor steeds bestempeld als gevaarlijk, een poel van verderf en een plaats van moreel verval. De tijd is gekomen om mensen zich terug &#8220;thuis in de stad&#8221; te laten voelen. Positieve communicatie is hierin cruciaal. Deze moet zorgen dat er een progressieve consensus wordt bereikt die de stad in een positief daglicht stelt. Op die manier kan men eindelijk eens die verzuring en het ongenoegen, waar extreem rechts op teert, fundamenteel bestrijden. Eens deze politieke consensus is bereikt, wordt alles wat ervan afwijkt als deviant bestempelt. Het gevolg hiervan beschrijft de Sloveense filosoof Slavoj Zizek: &#8221;In de consensuspolitiek van het centrum moet elke fundamentele belangentegenstelling plaats ruimen voor een vrijmoedig geloof in een politiek zonder ware tegenstanders, en zonder enige subversiviteit.&#8221;&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;&lt;strong class=&quot;spip&quot;&gt;Pleidooi voor onverdraagzaamheid...&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Door deze consensuspolitiek, ondersteund door communicatieadviseurs en spin-doctors, waar de culturele elite wordt gebruikt om de de linkse flank af te dekken, worden meningsverschillen (antagonisme), die de kern zijn van een democratie, daarenboven gereduceerd tot een dichotomisch spectrum: het &#8220;progresssieve centrum&#8221; tegenover &#8220;de onverdraagzamen&#8221;. Door de constante herhaling dat &#8220;het Vlaams Belang&#8221; verloren heeft op 8 oktober, gaat deze oneliner zelfs een eigen leven leiden. Misschien is het tijd voor een pleidooi voor onverdraagzaamheid.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Laten we eens intolerant staan tegenover sociale verdringing, onverdraagzaam zijn voor ongelijkheid en fundamentele kritiek geven op sociaal-economische marginalisering. Deze strategie impliceert het terug invoeren van meningsverschillen en antagonisme.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Meningsverschillen en antagonisme zijn de kern van een echt &#8220;politiek&#8221; beleid. De filosofe Chantal Mouffe zegt niet dat alle sociale relaties noodzakelijk antagonistisch zijn, maar dat de mogelijkheid van conflict en vijandigheid in elke relatie op elk moment aanwezig is. &#8220;Het politieke&#8221; en politieke gemeenschap hebben altijd te maken met conflict en antagonisme. Politiek gaat altijd gepaard met de formatie van een &#8216;wij' versus een &#8216;zij' (naar de politieke logica van Carl Schmitt). In de discourstheorie van Laclau en Mouffe heet dit equivalentielogica. Anders dan de traditionele notie van sociaal antagonisme - dit is een confrontatie tussen sociale actoren die reeds beschikken over een volledig ontwikkelde identiteit - beweren Laclau en Mouffe dat antagonismen net bestaan omdat wij, als sociale actoren, in de onmogelijkheid zijn onze volledige identiteit (of politiek vertaald: onze ideologie&#235;n) volledig te ontwikkelen. Identiteit/ ideologie&#235;n zijn steeds bepaald door &#8220;het constitutieve buiten&#8221;; of anders gesteld, er is steeds iets wat me weerhoudt van volledig mezelf te zijn. Hierdoor krijgt democratie zijn betekenis van &#8220;onvolledigheid&#8221; en &#8220;conflict&#8221;...&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Deze onvolledigheid noemt de filosoof Claude Lefort 'de lege plaats van de macht'. Volgens hem is de aanwezigheid van deze &#8220;leegte&#8221; net de kern van de democratie. De democratie moet dus allerminst door consensus worden beheerst. De democratie is gebaseerd op een (imaginair) 'beeld' van zichzelf. Dit 'zelfbeeld' van de democratie wordt constant opgebroken en opnieuw ingevuld door het conflict van diverse 'logische' waarheden. Dit zorgt ervoor dat de waarheid steeds ondergeschikt blijft aan strijd. Wanneer deze &#8220;groeicoalities&#8221; het hele politieke veld gaan domineren, zich tooiend met een progressief imago, zich spiegelend met extreem-rechts nationalisme, dan wordt dit antagonistisch pluralisme oneindig gerecuceerd, alsook de democratie!&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Zolang men geen plaats laat voor dit meningsverschil, voor dissensus en werkelijk ideologisch conflict, is het optimisme over de nakende ondergang van extreem-rechts misplaatst. Noch het ged&#233;politiseerde &#8220;Goed beheer&#8221; noch de verdraagzaamheidsconcerten zullen hier iets aan verhelpen. Het succes van dit Extreem-Rechtse populisme is de prijs die de progressieven betalen voor het weigeren en marginaliseren van radicalere posities en alternatieven naast hen. Deze radicalere kritieken durven wel nog vragen stellen bij sociale verdringing en sociale onrechtvaardigheid. Wanneer het democratische centrum vol &#8220;Goede Bestuurders&#8221; zich verengt tot de beknotting van bovenstaande kritiek op zijn linkerflank, is de enige uitweg...U raadt het al! De vraag dient inderdaad dringend gesteld: &#8220;Wat is Links?&#8221;&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;PASCAL DEBRUYNE (&lt;a href=&quot;http://www.tienstiens.org&quot; class=&quot;spip_out&quot;&gt;VZW RADAR/TiensTiens&lt;/a&gt;)&lt;/p&gt;&lt;/div&gt;
		
		</content:encoded>


		

	</item>



	<item>
		<title>Het Europees sociaal model is de moeite waard</title>
		<link>http://yabasta.be/Het-Europees-sociaal-model-is-de</link>
		<guid isPermaLink="true">http://yabasta.be/Het-Europees-sociaal-model-is-de</guid>
		<dc:date>2006-05-01T16:24:53Z</dc:date>
		<dc:format>text/html</dc:format>
		<dc:language>nl</dc:language>
		<dc:creator>Francine Mestrum</dc:creator>

<category domain="http://yabasta.be/-arbeid-">arbeid</category>

		<dc:subject>arbeid</dc:subject>
		<dc:subject>economie</dc:subject>

		<description>Dit artikel verscheen in &lt;i class=&quot;spip&quot;&gt;Zand in de Machine&lt;/i&gt;, het gratis-voor-niets webzine van Attac Vlaanderen - 1 mei 2006
webzine. Zie ook http://vl.attac.be/article750.html.

-
&lt;a href="http://yabasta.be/-arbeid-" rel="directory"&gt;arbeid&lt;/a&gt;

/ 
&lt;a href="http://yabasta.be/+-arbeid-+" rel="tag"&gt;arbeid&lt;/a&gt;, 
&lt;a href="http://yabasta.be/+-economie-+" rel="tag"&gt;economie&lt;/a&gt;

		</description>


 <content:encoded>&lt;div class='rss_chapo'&gt;Het &#8216;Europees sociaal model' staat al enkele jaren in het centrum van de belangstelling. Maar bestaat dat model eigenlijk wel? Is het meer dan een mythe van het neoliberale discours? Het klopt wel dat de landen van West-Europa een sociale bescherming hebben die niemand hen nadoet, noch bij de rijke landen, zoals de Verenigde Staten, noch bij de arme landen. Maar met alles wat de Europese instellingen ons vertellen, met name in de &#8216;strategie van Lissabon' over de &#8216;modernisering' van de sociale bescherming, en met de maatregelen van de Europese regeringen - denk aan het generatiepakt bij ons en de tijdelijke jongerencontracten in Frankrijk - zou men kunnen denken dat al die verwijzingen naar het &#8216;sociale model' niets meer zijn dan een sluwe poging om de sociale zekerheid af te bouwen.&lt;/div&gt;
		&lt;div class='rss_texte'&gt;&lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Toch denk ik dat er wel degelijk een &#8216;Europees sociaal model' bestaat, ondanks alle verschillen die er zijn tussen de sociale stelsels van de Westeuropese landen, en ondanks de zeer re&#235;le pogingen om de sociale rechten af te bouwen. Ik denk dat onze sociale stelsels gemeenschappelijke kenmerken vertonen die zeker moeten beschermd worden. Indien men wil dat de werknemers, de gepensionneerden, de zieken en de jongeren zich kunnen scharen achter de hervormingen die doorgevoerd worden, dan moeten die gemeenschappelijke principes gerespecteerd worden. Want hervormingen, zo denk ik ook, zijn wel degelijk nodig. Zowel de economie als de maatschappij zijn de afgelopen vijftig jaar merkelijk veranderd, en daar moet elke sociale bescherming rekening mee houden. Het komt er dus op aan te kijken naar wat die gemeenschappelijke kenmerken zijn en hoe we ze kunnen beschermen als we de sociale zekerheid willen hervormen.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;De sociale zekerheid werd ingevoerd vanaf het einde van de 19de eeuw. Ze was het resultaat van de verpaupering van de arbeiders in de opkomende industrie, van een groeiend besef bij de werkgevers dat ze belang hadden bij stabiele arbeidskrachten en van het verlangen bij de overheid om een gezonde bevolking te hebben, voor de fabrieken en voor het leger. Deze sociale zekerheid werd geleidelijk aan verder ontwikkeld en is na de tweede wereldoorlog uitgegroeid tot een &#8216;verzorgingsstaat', gebaseerd op het principe van het sociaal burgerschap.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Ondanks alle verschillen die er zijn tussen de Europese landen, met systemen die zijn gebaseerd op Bismarck of op Beveridge, met een brede waaider van mengvormen tussen in, denk ik dat er drie grote gemeenschappelijke principes terug te vinden zijn in onze verzorgingsstaten:&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;* sociaal burgerschap. Volgens T.H. Marschall is dit sociaal burgerschap een concrete en zinvolle aanvulling van het politieke burgerschap. Burgers zijn aan elkaar gelijk. In de twintigste eeuw en in tegenstelling tot vroeger, werd de ongelijkheid immers meer en meer als onaanvaardbaar en tegennatuurlijk gezien. De gelijkheid van het sociaal burgerschap houdt geen inkomensgelijkheid in, maar ze beschouwt alle burgers wel als gelijkwaardig voor de wet en voor de sociale, economische en politieke rechten. Het is deze filosofie van de gelijkheid die ook aan de basis ligt van onze mensenrechten, met inbegrip van sociale, economische en culturele rechten.overleven. Daarom moeten sommige goederen worden onttrokken aan de markt. Eens te meer is dit geen uitsluiten van de markt, maar wel beletten dat sommige mensen er wegens hun economische situatie geen toegang zouden toe hebben. Op die manier kan de economische ongelijkheid geen politieke en andere gevolgen hebben. In onze samenleving is het niet iemands inkomen dat bepalend is voor de vraag of iemand zijn kinderen naar school kan sturen of naar de dokter kan gaan als hij/zij ziek is. Mensen hebben recht op gezondheid en op onderwijs. Dat is een burgerrecht.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;* Een bescherming tegen de markt. De gelijkheid van alle burgers houdt in dat ze beschermd worden tegen de wisselvalligheden van de markt. Wie zijn werk verliest of wie weinig verdient moet een recht op uitkeringen en op openbare diensten hebben. Het is niet de markt die kan beslissen of iemand het recht heeft om te overleven. Deze bescherming tegen de markt sluit de markt niet uit, maar belet wel dat mensen er het slachtoffer van worden.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;* Het onttrekken van sommige goederen aan de markt. Alle mensen moeten toegang hebben tot diensten die essentieel zijn voor hun letterlijke en maatschappelijke overleven. Eens te meer wordt de markt hierdoor niet uitgesloten, maar wordt er verhinderd dat sommigen er wegens hun economische situatie geen toegang toe hebben. Door het onttrekken van goederen aan de markt kan de economische ongelijkheid geen politieke of andere gevolgen hebben. Het is in onze samenleving niet de markt die bepaalt of iemand zijn kinderen naar school kan sturen of naar de dokter kan gaan. Onderwijs en gezondheid zijn burgerrechten.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Het zijn deze drie principes die men in alle verzorgingsstaten van West-Europa terug vindt. Ze zijn verschillend van wat er in de Verenigde Staten bestaat, omdat daar enkel aan de behoeftigen wordt gedacht. Ze zijn verschillend van wat in de socialistische landen bestond, omdat daar de markt volledig werd uitgeschakeld. De Westeuropese systemen hebben het economich en sociaal beleid in een positieve interactie aan elkaar gekoppeld. Vandaar hun succes, bij de werknemers zowel als bij de werkgevers die maar al te blij waren met de koopkracht van hun arbeiders. Het is ook dit model dat men heeft willen invoeren in de arme landen, in het kader van het ontwikkelingsproject.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Vandaag echter staat dit &#8216;model' op de helling. Er zijn hervormingen nodig. In de derde wereld werd de &#8216;Washington Consensus' aangevuld met een &#8216;armoedebestrijding' die niet te verenigen valt met de bestaande sociale bescherming. Vanaf nu zou de hulp moeten gaan naar de &#8216;allerarmsten' waarbij elk idee van universaliteit overboord wordt gegooid en dus ook de gelijkheid wordt vergeten. In de rijke landen zijn zowel de economie als de samenleving de afgelopen vijftig jaar grondig veranderd. Het &#8216;kostwinnersmodel' bijvoorbeeld, is achterhaald. Ook vrouwen zijn nu massaal aanwezig op de arbeidsmarkt. Hier, net zoals in de arme landen, groeit de informele economie zienderogen. Werkloze illegalen zijn moeilijk te vinden. Werkende armen des te meer. De pensioenleeftijd werd verlaagd en de mensen leven veel langer. Daarenboven zijn ook de grenzen open gegaan (&#8216;mondialisering'), waardoor landen &#233;n werknemers verplicht worden om met elkaar in concurrentie te gaan. In West-Europa is de sociale bescherming nog altijd vrij sterk, zeker in vergelijking met andere landen, maar toch worden meer en meer mensen uitgesloten en lopen ze een ernstig risico om in armoede te vervallen. Zo ontstaat er geleidelijk aan een duale maatschappij. Want meer en meer rijken hebben dat sociale burgerschap niet langer nodig, zij zijn &#8216;gemondialiseerd' en kopen hun verzekering op de particuliere markt. Al deze ontwikkelingen vereisen een hervorming van onze sociale bescherming, hoewel dat iets heel anders zal moeten zijn dan wat ons nu wordt opgelegd in het kader van de &#8216;strategie van Lissabon'. Het kan er immers niet om gaan dat de arbeidsmarkt gewoon gedereguleerd wordt en dat we geleidelijk aan afglijden naar een gelijkheid van kansen waarbij armoede synoniem wordt van discriminatie. Wel moet het gaan om een nieuwe sociale bescherming die ook over onze grenzen van toepassing kan zijn, maar ook veel verder gaat dan het &#8216;risicobeheer' dat de Wereldbank voorstelt. De drie vermelde principes zullen op elk ogenblik gerespecteerd moeten worden.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Enkel als voorbeeld, en zonder volledig te willen zijn, zou men kunnen denken aan volgende hervormingen:&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;* een nieuw Europees sociaal handvest, dat in overeenstemming is met het Internationaal Pakt voor economische, sociale en culturele rechten en met het Sociaal Handvest van de Raad van Europa;&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;* een minimum loon in de Europese Unise, in functie van het BNI van elke Lidstaat;&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;* een structureel beleid van solidariteit tussen de lidstaten van de Europese Unie met sociale convergentiecriteria;&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;* een beleid voor volledige werkgelegenheid, met een belangrijke rol voor de sociale economie, ook macro-economisch;&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;* een opname van de informele economie in het formele circuit, ten einde fraude en nog meer &#8216;werkende armen' te vermijden;&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;* de invoering van een Europese sociale inspectie;&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;* een debat over een arbeidsherverdeling, op nationaal, Europees en mondiaal vlak; het is absurd dat men de werkgelegenheidsgraad wil optrekken als er geen banen beschikbaar zijn. Een verdeling van de maatschappelijk noodzakelijke arbeid kan gepaard gaan met een algemene verkorting van de arbeidsduur;&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;* debat over het invoeren van een systeem van mondiale publieke goederen, sociaal zowel als ecologisch;&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;* hervormingen in de zin van de &#8216;economische zekerheid' die de ILO heeft voorgesteld.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;De hervormingen zullen noodzakelijkerwijs moeten berusten op een materi&#235;le en niet-materi&#235;le herverdeling. Met materi&#235;le herverdeling verwijs ik naar de inkomens, om te vermijden dat sommigen alle rijkdom naar zich toetrekken met als enig doel op die manier ook meer macht te verwerven. Met niet-materi&#235;le herverdeling verwijs ik naar een ecologisch duurzame ontwikkeling voor Noord en Zuid, voor arm en rijk en voor de huidige en toekomstige generaties. Dit is nodig voor het overleven van de mensheid.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Een sociale bescherming die berust op burgerschap, universaliteit en het onttrekken van sommige goederen aan de markt veronderstelt ook een rechtvaardig belastingssysteem, nationaal, Europees en mondiaal. Nationaal en Europees moeten we pleiten voor een vermogenskadaster en een vermogensbelasting. Mondiaal kunnen we geen genoegen nemen met de belasting op vliegtickets die sommige landen hebben ingevoerd. Wij blijven een structurele, herverdelende Tobintaks op speculatieve kapitaaltransacties verdedigen, zowel als ecologische belastingen.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Tenslotte zal dit Europese sociale model niet kunnen verdedigd worden zonder sterke sociale bewegingen. Het is duidelijk dat de vakbonden hierbij een eersterangsrol spelen. Zij zijn niet &#8216;behoudsgezind' zoals hen al te vaak wordt verweten. Alle sociale bewegingen staan open voor veranderingen die ook een verbetering kunnen zijn. De samenwerking moet dus worden versterkt om de neoliberale hervormingen een halt toe te roepen.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Tenslotte zou ik nog willen wijzen op het belang van sociale bescherming in het licht van het enige alternatief ervoor, met name politie- of militaire bescherming.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Elke samenleving heeft immers op een of andere manier bescherming nodig. Want de markt vernietigt de samenleving, zo heeft Karl Polanyi ons geleerd. Tegenover die bedreiging zal elke samenleving zoeken naar mechanismen om zich te beschermen. Sociale onzekerheid en onveiligheid in het algemeen veroorzaakt angst en met angst valt niet te leven. Mensen moeten daarom kiezen tussen ofwel een sociale bescherming die hen ook een toekomstperspectief kan bieden, of een politie- of militaire bescherming die de samenleving kan polariseren. Het is de keuze tussen de samenleving zoals Hobbes die zag, met een oorlog van allen tegen allen, of zoals Locke die zag, met het collectieve vermogen van de verzorgingsstaat als buffer in geval van tegenslag. In de hele wereld hebben we de afgelopen twintig jaar een verschuiving zien optreden. Naarmate de sociale bescherming wordt afgebouwd komen er meer en meer oorlogen, conflicten en een &#8216;veiligheidslogica' waar ook extreem-rechts garen van spint. Het is die keuze die we moeten maken.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Ik denk daarom dat we er alle baat bij hebben onze sociale waarden die ook politieke waarden zijn, met hand en tand te verdedigen.&lt;/p&gt;&lt;/div&gt;
		&lt;div class='rss_ps'&gt;Dit artikel verscheen in &lt;i class=&quot;spip&quot;&gt;Zand in de Machine&lt;/i&gt;, het gratis-voor-niets webzine van Attac Vlaanderen - 1 mei 2006
webzine. Zie ook http://vl.attac.be/article750.html.&lt;/div&gt;
		</content:encoded>


		

	</item>



	<item>
		<title>De paradox van arbeid en werkloosheid.</title>
		<link>http://yabasta.be/De-paradox-van-arbeid-en</link>
		<guid isPermaLink="true">http://yabasta.be/De-paradox-van-arbeid-en</guid>
		<dc:date>2002-10-27T23:00:00Z</dc:date>
		<dc:format>text/html</dc:format>
		<dc:language>nl</dc:language>
		<dc:creator>Roger Jacobs</dc:creator>

<category domain="http://yabasta.be/-arbeid-">arbeid</category>

		<dc:subject>arbeid</dc:subject>
		<dc:subject>economie</dc:subject>
		<dc:subject>globalisering</dc:subject>

		<description>In de twee decennia volgend op de tweede wereldoorlog speelden de Westerse nationale overheden een sleutelrol in de ekonomische funktionering van hun respektievelijke landen. Daarbij lieten ze zich leiden door de beginselen die de Engelse ekonoom J.M. Keynes ontwikkelde in reaktie op de grote krisis van de jaren '30 die massale werkloosheid en politieke instabiliteit teweeggebracht had. &lt;br /&gt;'Keynes verhief de staat tot de centrale investeerder in de nationale ekonomie, waarbij de autonome staat (...)


-
&lt;a href="http://yabasta.be/-arbeid-" rel="directory"&gt;arbeid&lt;/a&gt;

/ 
&lt;a href="http://yabasta.be/+-arbeid-+" rel="tag"&gt;arbeid&lt;/a&gt;, 
&lt;a href="http://yabasta.be/+-economie-+" rel="tag"&gt;economie&lt;/a&gt;, 
&lt;a href="http://yabasta.be/+-globalisering-+" rel="tag"&gt;globalisering&lt;/a&gt;

		</description>


 <content:encoded>&lt;div class='rss_chapo'&gt;In de twee decennia volgend op de tweede wereldoorlog speelden de Westerse nationale overheden een sleutelrol in de ekonomische funktionering van hun respektievelijke landen. Daarbij lieten ze zich leiden door de beginselen die de Engelse ekonoom J.M. Keynes ontwikkelde in reaktie op de grote krisis van de jaren '30 die massale werkloosheid en politieke instabiliteit teweeggebracht had.&lt;/div&gt;
		&lt;div class='rss_texte'&gt;&lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;'Keynes verhief de staat tot de centrale investeerder in de nationale ekonomie, waarbij de autonome staat korrigerend ingrijpt wanneer het marktmechanisme tot onvoldoende werkgelegenheid en deflatie leidt. Door in tijden van krimpende konjunktuur extra te investeren moesten de regeringen een toenemende vraag kre&#235;ren en daardoor voorkomen dat de groei stagneerde. In tijden van hoogkonjunktuur moesten de regeringen de ontstane staatsschuld door middel van hogere belastingsopbrengsten terugdringen, waardoor ook een te sterke opleving van de konjunktuur en inflatie zou worden vermeden. Veel landen stimuleerden bovendien juist die bedrijfstakken waarvan een snelle groei en een toenemende vraag te verwachten viel'. Dit ekonomisch model werd door de oliekrisissen van 1973 en 1979 echter onderuit gehaald: staatstekorten, inflatie en stabiele wisselkoersen leken niet langer beheersbaar te zijn. Er ging een nieuwe politieke wind waaien: in 1979 maakt 'Iron Lady' M. Thatcher haar entree in de Engelse regeringspolitiek en het jaar daarop betrad haar geestesgenoot R. Reagan het Amerikaanse Witte Huis. Als ekonomische raadgevers kozen zij twee herauten van het neo-liberalisme: F.A. von Hayek en M. Friedman. 'Deze theoretici kenden de staat alleen nog de rol van politie-agent toe. Hoe groter de vrijheden waren die priv&#233;-ondernemingen bij investeringen en aktiviteiten zouden genieten des te hoger zouden ook ekonomische groei en welvaart voor iedereen uitvallen, beloofden zij. Vanuit deze premissen ontwikkelden de merendeels ekonomisch liberale, westerse regeringen in de jaren '80 een soort vrijheidsstrijd voor het kapitaal'. (H.-P. Martin, H. Schumann, Globalisering, 1997, pp.145-46)&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Tesamen met de overheid kwam ook het sociale zekerheidssysteem onder vuur te liggen. Neo-liberale kritici gingen zelfs zo ver te beweren dat haar t&#233; gul en passief makend karakter verantwoordelijk zou zijn voor het grote aantal werklozen: i.p.v. mensen 'terug te veren' naar de arbeidsmarkt (haar zogenaamde 'trampoline'-funktie), zou ze deze aantrekken en vasthouden. Haar vangnetten zouden verworden zijn tot hangmatten. Steuntrekkers zouden zich aldus gaan opsluiten in een 'kultuur van de afhankelijkheid'. Deze kritici drongen er dan ook op aan dat deze interne dynamiek, waardoor werklozen zich zouden gaan 'nestelen' in hun situatie, terug zou omgekeerd worden. De sociale zekerheid zou terug moeten gaan fungeren als een tijdelijke bescherming, als overbrugging, naar een nieuwe inpassing in het arbeidsproces. In plaats van 'te ruim' op 'te gemakkelijk' toegankelijke maatschappelijke voorzieningen beroep te doen, zouden de steuntrekkers terug moeten leren de handen uit de mouwen te steken en hun leven een nieuwe koers te geven. Zij moeten terug 'geresponsabiliseerd' worden: wie aanspraak maakt op een uitkering, moet eerst maar eens bewijzen dat hij alles in het werk heeft gesteld om aan werk te geraken. Vanuit deze redenering wordt dan ook gesteld dat de sociale zekerheid niet langer onvoorwaardelijk mag zijn: uitkeringen fungeren als stok achter de deur om een opleiding te volgen, permanent te solliciteren of eventueel een prekaire baan te accepteren. De grote idealen van gelijkheid en solidariteit die aan de basis lagen van de uitbouw van de naoorlogse verzorgingsstaat krijgen nu een disciplinerende invulling, voorzieningen die vroeger een recht waren, krijgen nu het karakter van een plicht. Nieuwe begrippen duiken op die deze evolutie tegelijkertijd moeten kamoefleren &#233;n legitimeren.
Sociale aktivering is zo'n nieuw sleutelwoord dat gekontrasteerd wordt met het vroegere passief makende of 'kompenserende' beleid van de sociale zekerheidsinstanties. In plaats van de uitsluiting financieel te kompenseren, wordt nu gesteld dat de uitgeslotenen terug in staat moeten gesteld worden volwaardig mee te funktioneren in het maatschappelijke bestel. Als methode was de sociale aktivering afkomstig uit de welzijnssektor waar ze een eenduidig emancipatorische betekenis had, nl. de betrokkenen kansen bieden en aanzetten tot emancipatie. Dirk Geldof benadrukt de goede bedoelingen van het oorspronkelijke welzijnsbegrip: 'Vanuit een vertrouwensrelatie worden de mensen in relatie gebracht met mogelijkheden die ze eerst niet kenden of waarvoor ze zich niet kapabel achtten'. Maar van zodra men deze methodiek in het bijstands-en tewerkstellingsbeleid (OCMW, VDAB) gaat inpassen raakt het verweven met andere invullingen en doelstellingen, waarin sprake is van sankties, verplichting en disciplinerende aanpak. Geldof spreekt in dit verband zelfs van een 'pervertering van het oorspronkelijke koncept'.
Een ander sleutelbegrip is 'employability' (tewerkstelbaarheid, inzetbaarheid) dat wijst op de verantwoordelijkheid van elke werknemer voor zijn eigen 'menselijk kapitaal'. Hij dient er voor te zorgen dat hij op eigen initiatief en op eigen kosten zijn kennis en vaardigheden ( waaronder de 'basic skills' die onder de bevoegdheid van de basisedukatie zouden vallen, cfr. de inleiding tot het eerste hoofdstuk) op nivo houdt waardoor de kloof tussen zijn huidige kwalifikaties en de 'eisen van de arbeidsmarkt' niet onoverbrugbaar wordt. In plaats van het vroegere recht op bijscholing, &#233;&#233;n van de verworvenheden van de arbeidersstrijd, komt nu 'de leerplicht van elke individuele werknemer, een werkzaam leven lang'. Twee voorstanders van de nieuwe visie gaven in de Nederlandse 'de Volkskrant' van 7/8/96 een rooskleurig beeld van deze leerplicht: 'De werknemer is in zijn rol van 'leerling' zelf verantwoordelijk voor het op peil houden van zijn kwalifikaties. Dat is immers zijn handelswaar en zijn beste troef voor het verkrijgen of behouden van werk binnen of buiten het bedrijf. De werknemer is als het ware manager van zijn eigen kennis en vaardigheden. Hij heeft met andere woorden een voortdurende plicht tot leren'(geciteerd in: A. Bons, R. Janssen, Werkende Waarden, 1999, p.88). Men kan het begrip echter ook vanuit zijn schaduwkant benaderen, zoals de Franse schrijfster Viviane Forrester in haar bekend boek 'De Terreur van de Ekonomie' (1997) gedaan heeft en zij kwam tot de volgende konklusie: 'Voor de werknemers komt het erop neer dat ze zo goed mogelijk moeten inspelen op veranderingen en grillen van het noodlot, in dit geval van de werkgevers. Zij moeten erop voorbereid zijn voortdurend van werk te veranderen ('zoals je een ander hemd aantrekt', zou oppas Beppa hebben gezegd). Maar tegenover de onzekerheid van de ene baan in de andere te tuimelen, staat de redelijke garantie dat zij in plaats van de verloren baan een andere vinden waarmee zij evengoed in hun levensonderhoud kunnen voorzien (...) En wat die garantie betreft: je kunt op je vingers natellen dat bij de eerste de beste gelegenheid zal blijken dat je daarmee geen nieuwe baan vindt' (p.140).
De in het voorgaande hoofdstuk geschetste evolutie van het geletterheidskoncept naar een 'basic skills'-benadering is dus slechts de uitdrukking van een bredere maatschappelijke evolutie van 'welfare' (welzijn) naar 'workfare' waarvan de essentie weergegeven wordt door slogans als 'geen rechten, zonder plichten', 'voor iets, hoort iets', 'wie niet werkt, zal niet eten' ... Het liberale accent op de individuele verdiensten/
prestaties verdringt de katholieke caritas-idee maar vooral de socialistische idee van de sociale grondrechten.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Workfare-verdedigers zien 'arbeid' als een onontbeerlijk medium om van mensen existentieel gelukkige, ekonomisch nuttige en politiek verantwoordelijke leden van de samenleving te maken. Mensen zonder werk vormen een gevaar voor de kohesie van de samenleving (omdat de stap naar een 'outsider'-positie of zelfs naar een 'outlaw'-positie (kriminaliteit, verslaving, prostitutie) kleiner wordt) &#233;n voor de demokratie (zij laten zich gemakkelijker op sleeptouw nemen door politieke avonturiers van links en van rechts). Arbeid daarentegen zorgt voor bestaanszekerheid, geeft zin en struktuur aan het leven, verhindert sociaal isolement, draagt bij tot zelfbevestiging en maatschappelijke erkenning. Arbeid is een intrinsiek goed: het is slechts middels de arbeid dat mensen zich optimaal kunnen ontplooien tot mondige burgers of tot volwaardige maatschappelijke participanten. Een recent boek van de Vlaamse arbeidssocioloog Ignace Glorieux draagt niet voor niets als titel 'Arbeid als Zingever' (VUB-Press, 1995).
Daarmee plaatsen de workfare-isten zich in de achtenswaardige traditie van de Europese Verlichtingsfilosofie die 'arbeid' herwaardeerde als instrument van beschaving, menswording en emancipatie. Ter illustratie geven wij de arbeidsdefinitie van drie illustere belichamers van deze traditie:&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Karl Marx (1818-1883), de 19-eeuwse arbeidsfilosoof bij uitstek, omschreef de arbeid als het stofwisselingsproces van de mens met de natuur. 'Door zodoende de natuur rondom hem te bewerken en te veranderen, verandert hij tegelijkertijd zijn eigen aard. Hij brengt de sluimerende, potenti&#235;le krachten tot ontwikkeling en hij onderwerpt het spel van deze krachten aan zijn eigen wil' (Het Kapitaal,I, p.116). In het kielzog van Marx' definitie stelt de bekende kritische socioloog en psycho-analyticus Erich Fromm in de jaren '50 van deze eeuw de mens voor als een producerend dier, voor wie arbeid, m&#233;&#233;r is dan louter levensonderhoud. 'Arbeid is ook macht, die hem bevrijdt uit de natuur en omschept tot een sociaal en onafhankelijk wezen. Door te werken, d.w.z. door de wereld buiten zichzelf om te vormen en te veranderen, verandert en vormt de mens ook zichzelf om. Hij stijgt boven de natuur uit door haar in zijn macht te krijgen. Hij ontwikkelt zijn vermogen tot samenwerken, tot redelijk denken en zijn zin voor schoonheid. Hij maakt zich los uit de natuur, uit de oorspronkelijke eenheid met haar maar om zich tegelijkertijd weer met haar te verenigen als haar heerser en bouwmeester. Naarmate zijn arbeid zich ontwikkelt, ontwikkelt zich ook zijn individualiteit. Door de natuur om te vormen en te herscheppen, leert hij gebruik maken van de eigen vermogens, waarbij hij vaardigheid en kreativiteit tot ontplooiing brengt' (E. Fromm, De gezonde Samenleving, pp. 134-35). En voor de meest geciteerde arbeidsfilosoof van het ogenblik, Hannah Arendt (1906-1975), gaat 'arbeiden' gepaard met geluk en is het een onontbeerlijke voorwaarde om de 'vitaliteit' van het leven in stand te houden. 'Op het meest elementaire vlak zijn het 'moeizame zwoegen' voor het zich verschaffen van de noodzakelijke levensbehoeften, en de geneugten van het 'inlijven' ervan aan elkaar gekoppeld in de kringloop van het biologische leven, waarvan het cyklische ritme de unieke rechtlijnige beweging van het menselijke leven conditioneert zodat de volledige uitschakeling van de pijn en de moeite van het arbeiden niet slechts het biologische leven zou beroven van zijn natuurlijke bekoring, maar aan het specifiek menselijke leven alle smaak en alle vitaliteit zou ontnemen. De menselijke konditie houdt in dat moeite en inspanning niet zomaar toevallige symptomen zijn, die weggenomen zouden kunnen worden zonder dat daarmee het leven zelf fundamenteel zou veranderen, veeleer zijn het de vormen waarin het leven zelf, met de noodzaak waaraan het is gebonden, wordt ervaren. Voor stervelingen zou het 'gemakkelijke leven der goden' een gepleisterd graf zijn' (H. Arendt, Vita activa, pp. 119-120).&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Workfare-verdedigers bevinden zich hier dus in een zeer respektabel gezelschap, ware het niet dat zij in hun discours een duidelijk ander accent leggen: niet aan arbeid als dusdanig wordt een emanciperend vermogen toegeschreven, maar wel aan een heel specifieke vorm van arbeid (die -alhoewel sterk in het oog springend in onze Westerse samenleving- niet kan vereenzelvigd worden met arbeid zonder meer): de loonarbeid. Boven geciteerde filosofen vatten loonarbeid net op als een zeer verschraalde of vervreemde uitdrukking van arbeid die zou moeten afgeschaft (Marx, Fromm) of sterk teruggedrongen (Arendt) worden om de veelgeprezen funkties van de arbeid waar te laten worden. Niet zo bij onze Vlaamse workfare-isten. Zo schrijft Marc Andries, studiemedewerker van het Vlaams Ekonomisch Verbond: 'In Belgi&#235; is de kans relatief klein dat je werkloos wordt, maar heel groot dat je werkloos blijft als je het eenmaal bent. Dat wijst op een gebrek aan aktivering van werklozen. De overheid heeft te laks toegelaten dat zich bij hun lage scholing ook nog de handikap voegt van een lange werkloosheid, met alle gevolgen vandien. Laat ons er dus samen over denken hoe we die lange werkloosheid door aktiverende maatregelen kunnen vermijden en niet weeklagen over het feit dat die laaggeschoolden aktiever moeten worden. Het komt er volgens mij op aan in de pot van de werkloosheid te blijven roeren en geen bezinksel van langdurige werkloosheid toe te laten. Sociale aktivering is er op gericht werklozen in beweging te houden, klaar te houden voor de arbeidsmarkt, en dat in hun eigen voordeel. Dat impliceert natuurlijk wel de belofte dat we alles in het werk zullen stellen om hen ook regulier aan de slag te helpen'(in: L. Fret, Sociale activering, p.33). En op een andere plaats zegt hij: 'Belangrijk is dat -behoudens uitzonderingen- het doel van deze re&#239;ntegratie-inspanningen de tewerkstelling van deze mensen is in het normale ekonomisch circuit, en niet hun blijvende aanwezigheid in nepstatuten en bezigheidsprogramma's'. UIA-rektor en Vitamine W-promotor Josse Van Steenberge is van oordeel dat er ook nuttige arbeid kan geleverd worden buiten Andries' 'normaal ekonomisch circuit', maar toch weer met dienverstande dat er door derden naar moet gevraagd worden: het moet dus arbeid zijn die 'buiten' in de samenleving gebeurd en waarvoor betaald wordt (door die derden, eventueel aangevuld door de overheid). Zorgarbeid thuis, eigenarbeid of vrijwilligerswerk zijn dan nuttige arbeidsvormen die NIET onder Van Steenberges definitie vallen. 'Elk individu heeft een dubbele taak. De arbeid in je eigen nest wordt niet betaald: je kinderen opvoeden, je moeder verzorgen, je tuin en je huis onderhouden, je was en je plas worden niet vergoed met, bijvoorbeeld, een huishoudelijk loon of een basisinkomen. Daarnaast is er een taak in de samenleving. Als iemand zijn eigen vader niet kan, wil of durft te verzorgen en dat aan een derde overlaat, wordt die derde daarvoor w&#233;l betaald' (Knack, 16/12/98, p.39). Ik verwijs in dit verband naar het artikel van Andr&#233; Gorz, afgedrukt in het derde hoofdstuk, waarin kritiek wordt uitgeoefend op dit soort van voorstellen.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Alhoewel men er dus van schijnt uit te gaan dat loonarbeid intrinsiek zingevend is, lijkt een bepaalde fraktie van werklozen ostentatief te kiezen voor een zinloos leven in de maatschappelijke marge van de niet-(loon)arbeid als zij de vrijheid hadden om te kiezen. Het gebruik van min of meer bedekte vormen van dwang wordt dan onvermijdelijk: Andries wil hen een flinke stomp in de rug verkopen ('sankties voor wie het spel niet korrekt kan spelen') terwijl Van Steenberge hen als ondeugende kinderen stevig bij het handje wil nemen ('Vitamine W gaat soms werklozen gewoon iedere dag uit hun bed zetten') om te verhinderen dat vastgeroeste leeglopers verder weg zouden vegeteren in hun arbeidsloos bestaan. Ludo Fret vraagt zich terecht verwonderd af: 'Waarom sanctioneren en disciplineren in de richting van iets wat nochtans alom zo aantrekkelijk genoemd wordt: de arbeid met zijn vele heilzame funkties?' (L. Fret, p.33). Zou het dan toch een antropologisch kenmerk van de soort zijn om zich over te geven aan een leven van ledigheid &amp; luiheid als de overlevingsdwang om de handen uit de mouwen te steken niet meer bestaat? Marc Andries meent van wel: hij neemt aan dat er een kern van waarheid zit in de oude mythe van de 'werkschuwe werkloze', op een andere plaats neemt hij de geladen term van 'werkweigeraar' in de mond (L. Fret, p.39).
Bovengenoemde arbeidsfilosofen zijn alleszins een wat genuanceerder mening toegedaan. Fromm boorde de mythe van de menselijke werkschuwheid bijna een halve eeuw geleden al de grond in waarbij hij 'luiheid' als een eerder uitzonderlijk en psychopathologisch verschijnsel omschreef: 'In werkelijkheid is de verveling, waarbij men niet weet wat men met zichzelf en met het leven beginnen moet, &#233;&#233;n van de ergste vormen van geestelijk lijden. Zou elke beloning van geldelijke of andere aard ontbreken, dan zou de mens er nog hartstochtelijk naar streven zijn energie op de een of andere zinvolle wijze te besteden omdat hij de verveling niet kan verdragen, die van het nietsdoen het gevolg is' (Fromm, p.220). Tegenwoordig zal die energie -via gewenning, verleiding en sanktionering- voornamelijk gekanaliseerd worden naar de loonarbeid, die nog steeds als d&#233; maatschappelijke norm door de toonaangevende sociale krachten in de samenleving gepropageerd wordt. Ik geef een voorbeeld: toen in een niet lang vervlogen verleden in syndikale middens de diskussie over arbeidsduurverkorting nog volop gevoerd werd, stond niet de toename van beschikbare vrije tijd centraal, WEL de schepping van meer arbeidsplaatsen. Die centraliteit van de loonarbeidsnorm uit zich ook in het feit dat vrije tijd slechts als waardevol ervaren wordt in relatie met betaalde arbeid, waardoor het trouwens hoofdzakelijk het karakter van 'luie' tijd krijgt. Dat is alleszins de mening van Hannah Arendt die vrije tijd opvat als rekuperatie-tijd voor de inspanningen die geleverd werden in het arbeidsproces: daarom is het ook in de eerste plaats konsumptieve tijd waarin de negatieve vrijheid (in de zin van: vrij zijn VAN alle inspanningen, wat neerkomt op luiheid) de overhand heeft op positieve vrijheid (vrij zijn VOOR andere zinvolle bezigheden). In haar ogen is luiheid gewoon de keerzijde van de arbeidsmedaille. Omdat vrije tijd enkel waarde heeft in relatie tot werken en niet op zichzelf, heeft de werkloze in feite geen vrije tijd, 'want er is niets waar hij vrij van heeft' (T. Geurtsen, Nachtmerries op een duivels Oorkussen, p.32).
In deze zin kan alleen de werkende 'zalig lui' zijn (op de gedane arbeid volgt de welverdiende rust), terwijl de werkloze zich enkel ziek of dood kan vervelen (eeuwige rust roest). Als er dan toch een fraktie van werklozen bestaat die de uitzichtloosheid van een werkloos bestaan verkiest boven de maatschappelijke waardering die verbonden is met loonarbeid, dan moet de oorzaak niet gezocht worden in een of andere vorm van aangeboren luiheid.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Jarenlang heb ik taalles gegeven aan mannen van de migrantengemeenschap in een Limburgse gemeente, waaronder een aanzienlijk aantal ex-mijnwerkers -in leeftijd varirend van 35 tot 45 jaar- die nog enkele jaren werkloos waren in het vooruitzicht van hun vervroegd pensioen. De meesten onder hen waren niet echt ge&#239;nteresseerd in een nieuwe baan. Ondanks de permanente bestaansonzekerheid (ze moesten rondkomen met een gemiddeld gezinsinkomen van rond de 40.000 Bf en hadden bijna altijd nog verscheidene kleine of opgroeiende kinderen) en de aktiveringsmaatregelen van de VDAB (gesprekken, beroepsopleidingen) had men gebroken met de wereld van de loonarbeid en nam men vrede met een 'sober' leven op het randje van de bestaansonzekerheid. Zin en struktuur werd aan dit leven gegeven door te participeren aan een brede waaier van niet-offici&#235;le arbeidsvormen: eigenarbeid (verbouwing van een oud huis, onderhoud van een moestuin), wederzijdse hulp en burenhulp (vervoer van kinderen naar school, autoreparaties waarvoor de vervangstukken op autokerkhoven bij elkaar gesprokkeld werden (recyklage dus)), vrijwilligersarbeid (een oud gebouw wordt omgebouwd tot moskee die achteraf gezamenlijk onderhouden wordt, men richt een ko&#246;peratieve winkel op) en zwartwerk (kleine klusjes tegen een bescheiden vergoeding). Ik had steeds de indruk dat zij hun handen vol hadden met te trachten het hoofd boven water te houden. Maar de problemen die dit bestaan met zich meebracht wogen blijkbaar op tegen het gebrek aan intrinsieke zinbeleving die ze vroeger ondervonden hadden in hun baan op de reguliere arbeidsmarkt. Vooral ook omdat heel wat van de heilzame funkties van de loonarbeid duidelijk overgenomen werden door hun nieuwe bezigheden: strukturering van het leven, direkt zichtbaar nut van de aktiviteiten, intense sociale kontakten, erkenning binnen de gemeenschap,...&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Deze 'werkweigeraars' zijn dus geen luiaards maar hun levenswijze is als het ware een bedekte vorm van protest tegen het offici&#235;le arbeidsethos dat als een leugen ervaren wordt. I.p.v. als levensverrijkend ondergaat men de loonarbeid als dwang die de eigen mogelijkheden en talenten fnuikt: ontslag wordt ervaren als 'bevrijding' en men is tot veel bereid om deze vrije levensruimte te laten voortduren. Oskar Negt schrijft daarover heel gevat: 'Waar arbeid een vloek is, lijkt rust de meest geschikte menselijke toestand te zijn. Zij wordt vereenzelvigd met vrijheid &amp; geluk' (Lebendige Zeit, enteignete Zeit, 1987, p.180).&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Mensen zijn niet lui, willen werken, mogen echter alleen maar werken in een kader waarbinnen arbeid min of meer als dwang ervaren wordt en kijken dan ook met een jaloerse blik naar werklozen die een arbeidsvrij leven kunnen leiden. Mede door een bewuste overheidspolitiek ervaren werklozen hun arbeidsloos bestaan in de eerste plaats als leegte, armoede, sociaal isolement en stigmatisering, waardoor zij op hun beurt met jaloerse blik lonken naar werkenden die over het algemeen bestaanszekerheid genieten gekoppeld aan een zekere status. Hans Achterhuis heeft deze carroussel waarin de werkende werkloos en de werkloze werker wil zijn 'de paradox van arbeid en werkloosheid' genoemd. Uitgaande van een reeks interviews met arbeidsongeschikt verklaarde werknemers bleek dat deze 'in bijna alle gevallen ziek werden door smerig, afmattend, gevaarlijk werk dat meestal in ondergeschikte posities verricht werd. Als lezer kun je niet anders dan konkluderen dat dit soort werk onmenselijk is. Je bent geneigd aan te nemen dat hoe eerder je van dit werk bevrijd bent, hoe beter het is. Dat blijkt echter beslist niet het geval te zijn. De 'bevrijding' van dit werk is voor de betrokkenen nog erger dan het werk zelf. Ze voelen zich plotseling buiten de samenleving geplaatst, allerlei kontakten die ze via hun werk hadden, verdwijnen. Juist uit de leegte waarin ze terechtkomen, blijkt hoe belangrijk de plaats van arbeid in onze samenleving is. Er bestaat m.a.w. een paradoxale spanning tussen arbeid en werkloosheid. Werken is mensbedervend, maar niet werken is ook onmenselijk. Arbeid is ziekmakend, maar tegelijkertijd wordt er als een medicijn naar gesnakt' (Arbeid een eigenaardig Medicijn, pp.32-33).&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;In de volgende paragrafen willen we dieper ingaan op de historische oorsprong van deze paradox die samenhangt met de geleidelijke aanvaarding van de loonarbeid als overheersende arbeidsvorm in de Westerse samenleving. Speciale aandacht gaat uit naar de rol die het welzijnswerk gespeeld heeft en nog steeds speelt bij het inschakelen van de lagere klassen in de loonarbeid. Tenslotte doen wij enkele (gewaagde) voorstellen ter oplossing van bovenvernoemde paradox: in plaats van eenzijdig de werklozen en bijstandstrekkers te aktiveren, kunnen overheid en werkgevers ook best wat aktivering gebruiken.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;VAN VERZET TEGEN LOONARBEID NAAR ...&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;De hoge waardering voor arbeid, en zeker in haar variant van loonarbeid, is een tamelijk recent verschijnsel in de geschiedenis.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;In de Middeleeuwen was de vita activa, het aktieve wereldse leven waartoe ook de arbeid behoorde die voorzag in de dagelijkse noden en behoeften, ondergeschikt aan de vita contemplativa, de kontemplatie als levenswijze. Aan de top van de maatschappelijke hi&#235;rarchie stonden daarom de priesters -de bemiddelaars tussen het aardse en het hemelse- die nu reeds de natuur der engelen deelden. Daarom waren ze zuiver van alle bederf en van het vleselijke, wat hen ertoe verplichtte een leven te lijden zonder arbeid en (minder prettig) zonder sexualiteit. Onder hen stonden de adelijke vechtersbazen, de bellatores, zij die verantwoordelijk waren voor de projektie van de hemelse orde op aarde (=vrede) en voor de naleving van de wet: aan deze taken hadden ze hun handen vol en dus behoorde arbeid niet tot hun verplichtingen. De taak om dit ganse maatschappelijke gebouw van levensnoodzakelijkheden te voorzien werd op de schouders geschoven van de 'agricultores' (boeren/slaven). In ruil voor hun onderwerping en een leven-in-kommer-en-kwel mochten ze wel rekenen op de bescherming van de adel en het priesterlijke gebed ter vergeving van hun zonden ...
Arbeid hoorde in de Middeleeuwen dus thuis in de onderste regionen van de samenleving en werd daar ervaren als een opgelegde plicht die eerder een teken van minderwaardigheid dan van respekt was. Deze lage waardering van de arbeid had ook voor gevolg dat arme mensen, die door een speling van het lot niet in hun eigen levensonderhoud konden voorzien, niet tot arbeid gedwongen werden, maar aanspraak konden maken op het (morele) recht om via 'caritas' door de gemeenschap in leven gehouden te worden. Van de armen ging een morele voorbeeldfunktie uit doordat zij alle banden met bezit, macht en aanzien verbroken hadden en daardoor juist de kristelijke normen veel beter in de praktijk brachten dan veel deftige ingezetenen. Deze laatsten hadden er dan ook alle redenen voor om via aalmoezen en giften voldoende 'bewijzen van goed gedrag' te verzamelen met het oog op de Dag van het Laatste Oordeel. De armen fungeerden op die manier als serviele instrumenten voor het zieleheil van de rijken. De middeleeuwse samenleving garandeerde de armen dus een wisselvallige (want afhankelijk van de vrijgevigheid van de rijken) onderstand in een overigens ellendig bestaan, maar hun vrijheid bleef daarbij onaangetast: 'Er werd gegeven omwille van de liefde Gods, zonder dat er aan de armen andere eisen werden gesteld dan een gebedje voor de goede gever' (H. Michielse, Welzijn en Discipline, p.17).&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Door allerlei maatschappelijke verschuivingen begint dat middeleeuwse samenlevingsmodel op het einde van de 15de eeuw in zijn voegen te kraken. Het aantal armen nam daardoor dramatisch toe (het gemiddelde aantal bedelaars in de Franse steden steeg in deze periode tot 20%; in het 16de eeuwse Parijs telde men 30 000 bedelaars op 100 000 inwoners). Omdat de charitatieve instellingen deze spektakulaire verhoging in de vraag niet meer aankonden, namen de armen in toenemende mate hun toevlucht tot krimineel gedrag waarbij zij overschakelden op een zwervend bestaan (=vagebonden) om zo de pakkans te verkleinen. De modale burgers in de stad raakten daardoor beklemd in een sfeer van kleine kriminaliteit, hinderlijke overlast en de angst voor besmettelijke ziekten en sociale revoltes die uitging van deze zwalpende, anonieme en ongrijpbare massa's. De 'bedelaar' evolueerde aldus van een op religieuze gronden getolereerde verschijning tot een sociaal veracht menstype. Het nieuwe armendiscours werd gelanceerd vanuit drie machtige aktoren in de vroeg-moderne samenleving. In de eerste plaats zagen de politieke autoriteiten (w.o. de stedelijke overheden) in het hoge aantal, zeer mobiele armen een probleem van 'law and order' waaraan ze met drakonische strafmaatregelen (geseling, verminking, brandmerking en terechtstelling) paal en perk wilden stellen. Deze repressieve armenpolitiek liep mooi parallel met de belangen van de opkomende kapitalistische klasse die nood had aan de vorming van een goedkoop en gedisciplineerd arbeidsreserveleger waarop beroep gedaan kon worden in tijden van ekonomische hoogkonjunktuur. Hier werd het noodzakelijke repressieve kader geschapen ter omvorming van de menselijke levenstijd in arbeidstijd wat in de volgende jaren de expansie van de kapitalistische produktiewijze zou mogelijk maken. Michel Foucault (1926-1984), de bekende historicus van de disciplinaire strategie&#235;n, schreef daarover het volgende: 'Het is onjuist (...) te zeggen dat de konkrete existentie van de mens de arbeid is. Want leven en tijd van de mens zijn niet op grond van hun aard arbeid, het zijn: lust, ongedurigheid, feest, rust, behoeften, toevalligheden, begeerten, gewelddadigheden, roverijen, enz. En deze totaal explosieve, momentane en diskontinue energie moet het kapitaal tot kontinue en voortdurend op de markt aangeboden arbeidskracht transformeren' (Mikrophysik der Macht, p.102). Tenslotte deed zich de invloed gevoelen van de humanistische intellektuelen die voorstanders waren van een ordelijke samenleving met een welopgevoed volk dat, met het oog daarop, aan arbeidsdwang en disciplinerend toezicht onderworpen moest worden. In 1587 gaf de Nederlandse humanist Coornhert zijn toonaangevend boek 'Boeventucht' uit, waarvan de basisstelling luidde dat de mens in staat is de volmaaktheid te bereiken door het goede te beoefenen. Wie daartoe nog niet in staat was 'moest door anderen met disciplinaire middelen als dreiging met straf in het goede spoor gezet worden' (H. Michielse, p.34). Zoals onze voorouders zich tegelijkertijd beschermd hadden tegen wilde dieren en er hun nut uit getrokken hadden, zo zouden ook de onnutte lediggangers en rabauwen getemd moeten worden tot bruikbare arbeidskrachten!
Coornherts idee&#235;n lagen aan de basis van het beruchte Amsterdamse Tuchthuis of Rasphuis (1596), met een vrouwelijk equivalent in het Spinhuis (1597), die in de volgende decennia navolging zouden krijgen in heel Europa (Foucault omschreef deze disciplinaire praktijken als 'De Grote Opsluiting' in zijn boek 'Histoire de la Folie' (1972)). Het spoor van de pure afschrikking werd verlaten t.v.v. de verbetering des harten in de gevolgen van 'des arbeyts heylige slagen'. De bewakers stelden zich niet langer op als beulen, maar als strenge opvoeders die de ingezetenen een deugdzame, gezonde, matige, arbeidzame en godsvruchtige levenswandel trachtten bij te brengen. Deze 'humane' doelstellingen mogen ons echter niet blind maken voor de harde methodes die noodzakelijk geacht werden om ze te realiseren.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Voor degenen die werden opgesloten in tucht-of werkhuizen betekende deze insluiting dat de zweep erover ging. 'De gevangenen moesten werken, hard werken, eentonige arbeid verrichten maar in elk geval ervoor zorgen, dat zij hun eigen kostje verdienden en de resterende exploitatiekosten van het strafinstituur erbij!' Voor wie niet werkte gold het principe van Paulus: 'Wie niet werkt, zal niet eten'. Andere middelen 'om de onwil te breken, de tegenzin in de arbeid in werklust te doen verkeren' waren: geselen met berkenroeden, eenzame opsluiting in de beruchte waterkelder (oftewel pomphuis), welke bestond uit twee vertrekken die door een buizennet met elkaar verbonden waren- 'het eerste diende als reservoir, van waaruit de tuchthuissuppoost het water kon laten stromen in het tweede appartement, waar de gestrafte zat, wiens celletje ingevolge de wet der communicerende vaten wel vol moest lopen, tenzij hij aan de pompzwengel ging hangen en haastig werkte, om het water weer over te hevelen naar het eerste vertrek, waarin het langs andere buizen terugvloeide'. De waterkelder werd pas afgeschaft toen bleek dat velen, door ellende in het tuchthuis bewogen, de verdrinkingsdood verkozen boven een langer verblijf in de inrichting en de straf geen zin meer had' (G. Snels, Arbeidsethos en Arbeidersethos, IK, Winter 1975, p.75).&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;De verdere expansie van het kapitalisme in de 17de en 18de eeuw hing o.m. af van de vorming van een van haar bestaansmiddelen afgescheiden klasse die op geen andere manier meer in haar levensonderhoud kon voorzien dan door haar arbeidskracht aan te bieden aan de eigenaars van de produktiemiddelen. Een klasse van mensen dus waarvan de arbeidskracht gedegradeerd werd tot een koopwaar die gevraagd en aangeboden werd op een markt; mensen ook die bereid waren zich uit te leveren aan het permanente toezicht van de manufaktuureigenaars of die zich -in een latere fase- wilden verlagen tot machine-aanhangsels in de grote fabrieken. Heel de Moderne Tijd -tussen de 17de en de eerste helft van de 19de eeuw- zou kunnen bestudeerd worden vanuit het perspektief van de strijd die er geleverd werd tussen een subsistentie-bestaan -waarin de mensen in staat zijn grotendeels op eigen krachten in hun levensonderhoud te voorzien- en een loonarbeidersbestaan. Bij het gewone volk was de gedachte diep verankerd dat wie zijn arbeidskracht levenslang tegen geld verkoopt, in feite zichzelf verkoopt en daardoor tot slaaf of hoer degradeert. Die associatie van een loonarbeidersbestaan met totale nooddruft treffen we reeds aan in de Middeleeuwen. Illich doet ons het verhaal van een rijke Italiaanse lakenkoopman in Florence die in 1330 sterft en zijn bezit nalaat ter verdeling onder de behoeftigen van de stad. 17 000 (!) armen werden als wettelijke gegadigden voor de nalatenschap aangeduid, verdeeld over de volgende kategorie&#235;n: wezen, weduwen, slachtoffers van een recente natuurramp, huurders van een woning (!) en ... gezinshoofden die volledig van loonarbeid leefden. Iemand werd dus als heel diep gevallen beschouwd als hij genoodzaakt was om d.m.v. loonarbeid in al zijn levensbehoeften te voorzien. En Illich bekommentarieert: 'Wat men vandaag de dag onder werk bestaat, nl. loonarbeid, was heel de Middeleeuwen door het teken van opperste ellende. Dit soort werk onderscheidde zich zeer duidelijk van tenminste drie andere soorten arbeid: de in en om het huis verrichte werkzaamheden waarmee de meeste mensen in hun levensbehoeften voorzagen en die slechts weinig raakpunten met welke geldekonomie ook hadden; de ambachten van schoenmakers, barbiers of steenhouwers; de diverse vormen van bedelarij waardoor men zich in leven hield met hetgeen anderen met hen deelden. Als iemand in loondienst werkte, niet slechts bij tijd en wijle als lid van een huishouden, maar dag in dag uit om zich in leven te houden, dan gaf hij daarmee de samenleving duidelijk te kennen dat hij, net als een weduwe of een wees, geen eigen plaats had, geen huishouden, en dus op steun van de samenleving was aangewezen' (I.Illich, Schaduwarbeid, pp.95-96).
De Duitse historicus J&#252;rgen Kuczynski verhaalt hoe in het Engeland van de 17de eeuw het werken in de centrale manufaktuur beschouwd werd als een minderwaardige bezigheid, die een fatsoenlijk mens niet past. Jonge meisjes die in een centrale manufaktuur werkten werden als nauwelijks verschillend van publieke vrouwen beschouwd. Zoals prostituees zich tegen betaling uitleveren aan de grillen van hun klanten, zo leveren loonarbeid(st)ers zich over aan de grieven van hun bazen. Ook mijnwerkers, metaalbewerkers en wevers -voorlopers van de latere arbeidersklasse-werden vaak beschouwd als een ras van wilden, die in wezen buiten de gevestigde maatschappij stonden. In bepaalde Schotse dorpen bestond in de 18de eeuw een bepaling die verbood dat dat een dode mijnwerker in dezelfde aarde begraven werd als een vrije werkman. Maar we moeten de sprekende voorbeelden niet zo ver weg in de tijd en de ruimte gaan zoeken. Als inwoner van Limburg -waar de industrialisatie pas in het begin van deze eeuw op gang kwam- en als nazaat van een geslacht van keuterboeren kan ik me nog heel goed de weerstand voor de geest halen die loonarbeid opriep bij de mannelijke helft van de familie. Mijn grootvader werkte met grote tegenzin als seizoenarbeider in de winter op de mijn: niets -ook het protest van mijn grootmoeder niet- kon hem echter tegenhouden om in de lente terug zijn weinig lonende werk op het land te hervatten. Ook mijn vader hield dat wisselende bestaan vol tot in 1951 (hij was toen reeds 38 jaar): dat was niet toevallig zowel zijn trouwjaar als de start van een levenslange carri&#232;re als fabrieksarbeider. Twee ooms werkten een tiental jaren in de mijn tot ze voldoende gespaard hadden om 'terug baas te worden van zichzelf', de een als landbouwer de ander als zelfstandige. Het waren vooral de vrouwen die hun mannen aanzetten om op de mijn te gaan werken: wat de vrouwen als een promotie beschouwden (een regelmatig inkomen in baar geld en een bevrijding van de veeleisende boerenstiel) ondergingen de mannen als een degradatie (het opgeven van hun zelfstandigheid in ruil voor wat centen en een 'hondenbestaan'). Een oude Limburgse mijnwerker drukte dat plastisch uit: 'In 't begin werd een mijnwerker beschouwd als een hond. Geen enkel meisje mocht met een koolputter meegaan. Dat bestond niet. Mijnwerkers waren slecht en gemeen volk. Ik weet nog goed dat de pastoor zijn parochianen vanop de preekstoel toeschreeuwde: 'Meisjes, onthoudt U van de mijnwerkers, want het zijn duivels. Zij gaan met satan om!' (...) Maar de meisjes zagen ook wel dat de koolputtersvrouwen schoner gekleed waren. Mijnwerkersvrouwen waren in hun ogen madammekes en de boerinnekes waren slaven. Die meisjes dachten: 'Ik pak een koolputter en geen boer, want anders moet ik heel mijn leven werken en bij een koolputter ben ik een madame' (Mijnen. Limburgse Koolputters spreken, EPO, 1981, zonder paginering).&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Een kapitalistische ekonomie gebaseerd op loonarbeid heeft een heel specifiek arbeidsethos nodig om te kunnen funktioneren: van de arbeider wordt verwacht dat hij zijn werk doet alsof het een doel-op-zich is, een roeping of beroep. De loonarbeider moet gedreven worden door een verinnerlijkte, onbegrensde prestatiedrang. Hij moet zich laten leiden door de vraag: 'Hoeveel kan ik meer verdienen (en luxueuzer leven) als ik zo lang mogelijk werk?' Voor ons is dat een evidentie geworden, maar de pre-kapitalistische mensen dreven voort op een totaal ander, traditionalistisch arbeidsethos waardoor er slechts zo hard gewerkt werd als nodig was om het geld te verdienen ter voortzetting van de traditionele levenswijze. Zolang de mens als boer of als thuiswerker zelf meester was over de aanwending van zijn arbeidskracht stemde hij zijn arbeidsduur-en ritme af op het inkomen dat hij nodig achtte om aan zijn -door de traditie vastgelegde- behoeften te voldoen. Bij hem staat de vraag centraal: 'Hoeveel moet ik werken om genoeg te verdienen om mijn (vast pakket) behoeften te bevredigen?'. Het is juist deze traditionalistische arbeidsmoraal die door de eerste generaties fabriekseigenaars gehekeld werd als de voornaamste rem op de industri&#235;le expansie. Nog in 1902 klaagden Engelse scheepsbouwers over het gebrekkige (kapitalistische) arbeidsethos van hun werklieden: 'Als de Engelse, resp. Schotse arbeider in drie tot vier dagen zoveel verdient dat hij er ook de rest van de week van kan leven, dan heeft hij meestal geen zin ook de andere dagen nog te werken. Hij maakt niet alleen een 'blauwe maandag', maar ook een 'blauwe dinsdag' en zelfs af en toe een 'blauwe woensdag' (G. Snels, p.68).&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Het bleek mogelijk te zijn hele gemeenschappen op een paar generaties tijds los te scheuren uit hun subsistentie-bestaan en afhankelijk te maken van loonarbeid. Het is echter een proces van eeuwen (dat zelfs nu nog niet volledig ten einde is) gebleken vooraleer er een 'sociaal karakter' kon geschapen worden waardoor de mensen niet langer via externe dwang maar door een innerlijke motivatie tot de arbeid konden gedreven worden, zoals die opgelegd werd door de nieuwe kapitalistische orde. De reeds geciteerde Erich Fromm schrijft: 'De moderne industri&#235;le samenleving zou bijvoorbeeld nooit haar doel bereikt hebben, indien zij niet in een tot dusver ongekende mate de arbeidsenergie van vrije mensen had weten te mobiliseren. De mens moest daartoe gekneed worden tot een persoonlijkheidsstruktuur, waarin hij bereid en zelfs begerig was, zijn meeste energie aan de arbeid te besteden en bovendien een voordien ongekende mate van discipline en vooral orde en stiptheid ontwikkelde. Het zou zeker niet voldoende geweest zijn, indien elk individu iedere dag weer bewust met zichzelf moest overleggen of hij wel wenste te werken, of op tijd wenste te zijn en zo meer, daar een dergelijk overleg meer uitzonderingen ten gevolge zou hebben, dan het soepel funktioneren van de samenleving zou kunnen verdragen. Maar ook bedreiging en geweld zouden als stimulans gefaald hebben, gezien de sterk gedifferentieerde en gekompliceerde taken van de moderne industri&#235;le samenleving, die op den duur door vrije mensen i.p.v. op basis van gedwongen arbeid vervuld moeten kunnen worden. De noodzakelijkheid van arbeid, stiptheid en ordelijkheid moesten worden omgezet in een innerlijke dwang. Dit betekende dat de samenleving een sociaal karakter moest scheppen, waarin deze neigingen zouden zijn ingebed' (Fromm, De gezonde Samenleving, p.68).&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;...HET RECHT OP LOONARBEID&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;In de beginfase van het kapitalisme (17de eeuw) zou vooral de godsdienst een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van dit 'sociaal karakter'. Zo huldigde het Calvinistische protestantisme een predestinatie-leer die ervan uitging dat een succesrijk aards leven een indikatie was van het feit dat God het eigen nietig persoontje welgevallig was en dat men dus behoorde tot de uitgelezen schare der Uitverkorenen. 'Het resultaat van deze aktiviteit, succes of mislukking, besliste over zijn zieleheil en was een aanwijzing of hij tot de geredde of tot de verdoemde zielen behoorde. In plaats van een op zichzelf bevredigende en aangename bezigheid te zijn, werd arbeid nu tot een plicht en een obsessie' (Fromm, De gezonde samenleving, p.135). Deze religieuze legitimaties wierpen echter alleen maar vruchten af in de hogere en middenklassen voor wie het kriterium van succes in zakendoen relevantie bezat. Dat ging niet op voor de eenvoudige loonarbeider die met zijn 16 uur arbeid per dag God niet wilde dienen en evenmin gebukt ging onder de twijfel van al dan niet tot de Uitverkorenen te behoren. Voor hem bleef loonarbeid dwangarbeid die hij enkel verrichte omdat hij noodgedwongen zijn energie verkopen moest aan degenen die over de middelen beschikten om haar te exploiteren.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Het waren vooral de theoretci van het socialisme, Karl Marx op kop, die via hun invloed op de syndikale beweging en de sociaal-demokratie, het nieuwe arbeidsethos ingang deden vinden bij het 19-eeuwse proletariaat. Marx was door zijn historische en ekonomische studies beter dan wie ook van zijn intellektuele tijdegenoten op de hoogte van de grondige aversie van de loonarbeider voor zijn werk. Marx sprak over de 'vervreemding' van de arbeid die hierin bestaat 'dat de arbeid voor de arbeider iets uiterlijks is, dat niet tot zijn wezen behoort; dat hij in zijn arbeid zichzelf niet bevestigt, maar ontkent; zich niet gelukkig voelt, maar ongelukkig; zijn fysieke en geestelijke energie niet op een vrije manier ontplooit, maar zijn fysieke natuur afmat en zijn geesteskracht uitput. Daarom voelt de arbeider zich alleen buiten zijn arbeid zichzelf, maar in het produktieproces van zichzelf losgescheurd. Hij is bij zichzelf als hij niet werkt, wanneer hij werkt is hij niet bij zichzelf. Daarom is zijn arbeid niet vrijwillig, het is dwangarbeid. Het is geen bevrediging van de behoefte tot werk, maar slechts een middel tot bevrediging van allerlei andere behoeften, behalve de behoefte aan werk' (Ekonomisch-filosofische Manuskripten 1844, pp. 69-70).
Marx bevestigde dat arbeid onder het kapitalisme inderdaad een verderfelijke bron van ellende en slavernij is, maar tegelijkertijd dat het een noodzakelijke doorgangsfase was op weg naar het kommunisme. Binnen het kader van zijn vooruitgangsgeloof was het de taak van het kapitalisme om de maatschappelijke produktiekrachten dusdanig te ontwikkelen dat de schaarste opgeheven werd waardoor de materi&#235;le basis gelegd zou worden voor de totstandbrenging van het kommunisme. Daarom steunde hij ook de produktieve burgerij in haar strijd tegen de niet-produktieve feodale klassen (adel en geestelijkheid). Maar eens het kommunisme gerealiseerd kon de arbeid van haar vervreemdende kapitalistische effekten ontdaan worden en daardoor haar louter extrinsieke waarde verliezen. De kommunistische mens van de toekomst zou zich volledig kunnen ontplooien in zijn arbeid. Arbeid zou onder die omstandigheden een eerste levensbehoefte worden: er zal niet meer gewerkt worden om te leven (zoals onder het kapitalisme) maar er zal geleefd worden om te werken. De socialisten droegen er dus in belangrijke mate toe bij de angel uit het 19-eeuwse verzet tegen de loonarbeid te verwijderen (cfr. hun verontwaardigde afkeuring van de Luddieten, een vroeg 19-eeuwse Engelse protestbeweging die het gemunt had op machines en fabriekshallen) door hun impliciete erkenning van een kapitalistsche doorgangsfase naar het socialisme. De subversie veranderde van ori&#235;ntatie: verzet tegen loonarbeid ruimde plaats voor het opeisen van het recht op loonarbeid.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Deze ideologische acceptatie van het loonarbeidssysteem vond in de 20ste eeuw haar materi&#235;le bezegeling in het zogenaamde Fordistische samenlevingsmodel waarin massaproduktie en massakonsumptie op elkaar afgestemd werden door een aktief optredende overheid. De staat zou er in het vervolg garant voor staan dat zowel werkenden als niet-werkenden (werklozen, zieken, arbeidsongeschikten, ouderen, ...) aanspraak zouden kunnen maken op een gestadig groeiend aandeel van de expanderende welvaartskoek. De term 'Fordistisch' verwijst naar de Amerikaanse autofabrikant Henry Ford die reeds voor de eerste wereldoorlog een begin maakte met de totale mechanisering, standaardisering en rationalisering van het produktieproces. Dit leidde enerzijds tot een enorme verhoging van de jaarlijkse produktie (van 200.000 auto's in 1913 naar 2.000.000 in 1923), maar tegelijkertijd werd de vervreemding van de arbeid via Taylorisme (=timing van gefragmenteerde arbeidshandelingen) en lopende band tot in zijn uiterste konsekwenties doorgevoerd. De ambachtelijk geschoolde vakarbeiders, die een centrale positie hadden ingenomen in het 19-eeuwse produktie-apparaat en die hun geluk en trots vonden in hun kennis en vaardigheden, moesten plaats ruimen voor de 'massa-arbeiders', hoofdzakelijk ongeschoolde werkkrachten die totaal onverschillig stonden tegenover de inhoud van hun arbeid en enkel genteresseerd waren in het loonzakje op het einde van de maand. Ford wist dit en kompenseerde de ontmenselijking van het arbeidsproces met een spektakulaire loonsverhoging. In 1914 was hij de eerste industrieel die een algemeen loonakkoord afsloot waarbij het dagloon van de arbeiders bijna verdubbeld werd (de beroemde 'Five Dollars Day'). Hoge lonen waren in de ogen van Ford noodzakelijk enerzijds om de loyaliteit van de arbeiders af te kopen ('vuiligheid, ge&#239;mmigreerde arbeiders, achterbuurten, korruptie en geweld ... ongevallen aan de lopende band. Een ideaal terrein voor syndikalisme en radikalisme') en anderzijds om de massa-konsumptie mogelijk te maken van de goederen die nu en masse geproduceerd werden ('alle aankopen van de rijken zouden niet voldoende zijn om &#233;&#233;n enkele industrie draaiende te houden'). In deze periode was de traditionalistische afkeer van loonarbeid nog sterk genoeg om Ford ertoe te bewegen een professionele welzijnsafdeling op te richten die het gedrag en het uitgave-patroon van zijn fabrieksarbeiders streng in het oog hield en zo nodig sanktioneerde. 'De multinationale arbeidersklasse (Russen, Polen, Kroaten, Hongaren, Italianen) van de Ford moest gemodelleerd worden naar het voorbeeld van Henry Ford zelf -een man die hard werkte, niet rookte en dronk en dat ook van zijn arbeiders verwachtte. Daartoe werd het 'Sociological Department' opgericht, 'om de vormeloze massa om te vormen tot een gezond, welopgevoed geheel'. Dit instituut ging zich bezighouden met de opvoeding, de 'amerikanisering' van de buitenlandse massa-arbeiders (en werd dan ook later omgedoopt in 'Educational Department'). Het 'Sociological Department' gebruikte het loon als chantagemiddel bij zijn opvoedingspraktijken. Het zette de kontrole over de loonarbeid voort tot buiten het werk (huwelijk, behuizing, drankgebruik, financi&#235;le adviezen, enz.). Elke Ford-arbeider kreeg te zijner tijd bezoek van de sociologen. En o wee! als er iets niet in orde was. Dat 'iets' kon van alles zijn: smerig huishouden, ongezond eten, kostgangers in huis hebben, te veel geld overmaken naar familieleden thuis (want hoe meer geld naar het buitenland werd overgemaakt, hoe minder er overbleef voor de aanschaf van een Fordje), overmatig drankgebruik, huwelijksproblemen, enz. -niets bleef deze lieden verborgen. Werd een arbeider nu op een van de genoemde punten 'schuldig' bevonden, dan werd hij veroordeeld, d.w.z. gediskwalificeerd voor het 5-dollar-minimum. Dat betekende dat zo iemand op proef kwam en regelmatig gekontroleerd werd op mogelijke verbeteringen. In de tussentijd werd hem dus loon ingehouden. Verbeterde hij nu binnen 30 dagen zijn slechte gewoontes of de huiselijke omstandigheden, dan kreeg hij het ingehouden geld volledig terug; duurde het verbeteringsproces 60 dagen, dan 3/4 van het ingehouden bedrag; bij een duur van 5 maanden, nog maar 1/4; was er na 6 maanden nog geen verbetering, dan werd zo iemand eruit gegooid en werd het ingehouden loon gebruikt voor liefdadigheid! Zo wilde Ford zijn arbeiders opvoeden tot verantwoordelijke arbeiders en staatsburgers. Als ze eenmaal geleerd hadden hun loon op de juiste manier te besteden, konden ze een fatsoenlijk bestaan opbouwen en zou de 'liefde tot de arbeid' vanzelf komen. Waar geen arbeidsethos bestaat, moet het afgedwongen worden' (G. Snels, II, pp. 48-49).&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;In het Fordistische arbeidskoncept werd het vervreemdende en intrinsiek onbevredigend karakter van de arbeid gekompenseerd door een voldoende hoog inkomen en ook door baanzekerheid (als men gedisciplineerd genoeg was om zich aan de regels te houden) wat de realisatie van een zekere levensvoldoening toeliet in de vrije tijd. Arbeid werd door de Fordistische arbeider niet ervaren als een medium van zelfontplooiing of van zelfrespekt, maar als een onontbeerlijk 'middel' tot iets dat buiten het arbeidsproces lag. Arbeid was dus een extrinsieke waarde en kon best gepaard gaan met het ideaal van de volslagen luiheid (volgens H. Arendt) en soms zelfs -dieper geworteld en onbewuster- haat tegenover de arbeid (volgens E. Fromm). Wij illustreren dit met een Amerikaans arbeiders- onderzoek uit 1946 en een Nederlands onderzoek uit 1971, twee data waarmee het tijdperk van het Fordistische arbeidskoncept afgegrensd kan worden: 'Voor de grote meerderheid van de arbeiders in de automobielindustrie ligt de enige betekenis van de arbeid in het loonzakje, niet in iets anders, dat met de arbeid of met het produkt zelf te maken heeft. Arbeid wordt ondervonden als iets onnatuurlijks, een onaangename, zinloze en afstompende noodzaak om het loonzakje te verkrijgen, evenzeer gespeend van waardigheid als van belangrijkheid' (P. Drucker, geciteerd in E. Fromm, p.137).&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;'Iemand die fabrieksarbeid doet, meet zich niet aan zijn arbeid, zoals een ondernemer of een ambachtsman. Zijn arbeidsgenoegen put hij veeleer uit hobby's (die hij juist niet als arbeid ziet, terwijl ze vaak bestaan uit bezigheden die voor anderen wel deel van hun werk zijn), zijn verantwoordelijkheidszin krijgt gestalte tegenover het gezin, zijn gevoel voor eigenwaarde ontleent hij mede aan de waardering van buurtgenoten en familieleden. Het werk doet er voor het gevoel niet zoveel toe, het is noodzakelijke bestaansvoorwaarde om het leven elders mogelijk te maken. Zo knapt de arbeider dus acht uur per dag met betrekkelijke gelatenheid het karwei op, zoals zoveel mensen op gezette tijden een noodzakelijke corvee verrichten. Voor elke afzonderlijke arbeider doet zich immers geen andere mogelijkheid voor om zich en de zijnen in het levensonderhoud te voorzien (...). Hij is bereid zijn werk te beschouwen als niets anders dan offer voor de opbrengst van vrije tijd en welstand, juist zoals in het ekonomisch systeem die arbeid alleen geldt als offer voor de produktie. Meer verwachten de meeste arbeiders er niet van' (A. de Swaan, Een Boterham met Tevredenheid, pp. 17-18).&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Die gelatenheid van de arbeiders t.a.v. hun werk zou in de jaren '60 en '70 steeds meer de plaats ruimen voor onvrede die zich in tijden van hoogkonjunktuur en praktisch volledige werkgelegenheid, vertaalde in steeds verdergaande looneisen en eisen omtrent arbeidsomstandigheden en arbeidsorganisatie. Legale uilaatkleppen via syndikale akties en onderhandelingen werden gekoppeld aan minder hanteerbare en beheersbare ondergrondse verzetsvormen. Geoff Brown, auteur van een standaardwerk over sabotage in de moderne industrie, schreef in 1977: 'Voor de beheerders van autofabrieken is sabotage ongetwijfeld een sociaal probleem, voor de 'saboteurs' in kwestie is het werk zelf het probleem' (p.376). Een indikatie voor het snel afbrokkelende arbeidsethos in deze periode!&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Vanaf het midden van de zeventiger jaren zijn we enerzijds getuige van de ontmanteling van het Fordistische arbeidskoncept onder invloed van de ekonomische krisis en van de radikale omslag in de ekonomische politiek van de overheid. Anderzijds doet er zich ook een kulturele verschuiving voor waardoor iemands arbeid -veel meer dan vroeger- bepalend wordt voor diens identiteit.
Wat het ekonomische luik betreft: de overheid trekt zich terug uit het ekonomische leven als garant van de volledige werkgelegenheid. Een hoge strukturele werkloosheid heeft tot gevolg dat er een neerwaartse druk wordt uitgeoefend op de lonen, dat de arbeidsomstandigheden in negatieve zin evolueren (verhoging van de werkdruk, flexibilisering, ...) en dat de (angst voor) bestaansonzekerheid toeneemt. De traditionele Fordistische kompensatiemechanismen voor het intrinsiek onbevredigend karakter van de arbeid (hoge lonen, baanzekerheid,...) doen het dus niet meer.
Tegelijkertijd rommelt het op het kulturele front wat vooral een weerslag heeft op het arbeidsethos. De algemene demokratisering (o.a. van het onderwijs), het ontzuilingsproces en de aantasting van de traditionele sociale verbanden maken dat de traditionele identiteitsontwikkeling bij jongeren geleidelijkaan plaats ruimt voor een moderne. Dat vraagt enige uitleg. Vroeger ontleenden jongeren hun identiteit aan het milieu waarin ze opgroeiden: de waarden, normen en denkbeelden van dit milieu werden als vanzelfsprekend verinnerlijkt en zij bepaalden ook grotendeels hoe het het verdere volwassen leven van deze jongeren eruit zou zien. Vanaf de geboorte was men ingespannen in een netwerk van onderlinge betrekkingen dat bepaalde welke behoeften en aspiraties als realistisch mochten beschouwd worden. Een jongere uit de arbeidersklasse kon misschien hopen op een minder zware of 'vuile' en een beter verloonde job dan die van de vader, maar er kon niet aan getwijfeld worden dat gezwoeg in de fabriek een stempel zou drukken op een groot deel van zijn volwassen leven. Men wist wat er te wachten stond en dat vergemakkelijkte ook de acceptatie ervan. Bij de moderne identiteitsontwikkeling staat de gedachte centraal dat iedereen zelf sturing moet geven aan zijn levensloop in voortdurende kritische dialoog met zijn omgeving. Die omgeving zal in belangrijke mate een arbeidsomgeving zijn die dan ook de gelegenheid moet bieden om de (eventueel verborgen) talenten en kwaliteiten van jonge werknemers tot ontplooiing te laten komen. Arbeid moet voldoende gekwalificeerd zijn om de kompetenties van de jongeren tot hun recht te laten komen. De Nederlandse jeugdsocioloog L. Veendrinck spreekt over arbeid met een voldoende hoog ontwikkelingskarakter en een laag lastkarakter.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;'In dit ontwikkelingskarakter heeft de arbeid een eigen inhoudelijke waarde voor de werknemer. Deze waarde zit allereerst in het feit dat de werknemer zijn arbeidskompetentie kwijt kan in zijn werk; ten tweede in het gegeven dat zijn arbeidskompetentie toeneemt en daardoor, letterlijk en figuurlijk, steeds meer waard wordt; ten derde in de positieve uitstraling die hiervan uitgaat naar het leven buiten zijn werk. Vaardigheden en kennis die binnen de arbeid zijn ontwikkeld kunnen immers ook op andere levensgebieden worden gebruikt'.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Het lastkarakter van de arbeid is het negatieve spiegelbeeld van het ontwikkelingskarakter: 'De werknemer kan zijn arbeidskompetentie te weinig en vaak slechts een- zijdig gebruiken, waardoor deze op lange termijn afneemt. Zijn kompetentie wordt daardoor steeds minder waard. Daarnaast heeft de arbeid in haar lastkarakter een negatieve uitstraling naar het leven buiten de arbeid vanwege het verhoogde risiko op overbelasting' (L. Veendrick, Het Loon van de Last, 1993, p.320).
De hedendaagse ekonomie heeft voor laaggeschoolden echter hoofdzakelijk banen met een laag ontwikkelingskarakter en een hoog lastkarakter (we komen daar uitgebreid op terug in het volgende hoofdstuk van dit boek) in petto, zonder dat dit negatieve komponent nog voldoende gekompenseerd wordt door behoorlijke arbeidsvoorwaarden -en omstandigheden. In zijn onderzoek naar de relatie tussen arbeidssituatie en identiteitsontwikkeling bij laaggeschoolde jongeren, wijst Veendrick op de schizofrene situatie waarin deze moeten leven: individuele zelfontplooiing -ook en misschien zelfs vooral via reguliere arbeid- is de officieuze ideologie van de Westerse samenleving, maar tegelijkertijd koppelt men hen aan jobs waarin van zelfontplooiing geen sprake kan zijn. Hij zegt daarover: 'Binnen het werk is er over het algemeen weinig erkenning voor hun subjektiviteit. Ze worden geobjektiveerd tot anonieme arbeidskrachten die gemakkelijk inwisselbaar zijn en waarvan vooral tempo en discipline worden gevraagd. Binnen dit werk voelen jongeren zich aangesproken als identiteitsloze objekten, terwijl daarbuiten van hen meer en meer gevraagd wordt een eigen herkenbaar gezicht te laten zien. Als gevolg hiervan zal voor hen het kontrast tussen het leven op de werkvloer en het leven daarbuiten steeds groter worden'
(p.326). Deze jongeren voelen zich beetgenomen door het discours over 'arbeid als zingever' en zijn geneigd elk incident aan te grijpen om de plaat te poetsen en definitief af te haken.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;WELZIJNSWERK EN LOONARBEID&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;In de vorige paragrafen hebben we geschetst hoe de Westerse samenleving in de laaatste vier eeuwen evolueerde van een verzetshouding t.a.v. loonarbeid tot een nagenoeg volledige, zij het halfslachtige acceptatie ervan. Het welzijnswerk heeft een aktief aandeel gehad in deze evolutie. Hans Achterhuis schrijft daarover: 'Vanaf het ontstaan ervan heeft het welzijnswerk juist als belangrijkste taak de problemen rond de twee kapitalistische vormen van arbeid (loonarbeid en huishoudelijke arbeid) aan te vatten en deze twee vormen van arbeid aktief te bevorderen. Hierdoor is het welzijnswerk, niet alleen in het verleden moor ook in het heden, onlosmakelijk verknoopt met het typische westerse arbeidsethos' (p.17). Met de veranderende houding van de arbeidende bevolking t.o.v. loonarbeid veranderde ook deze welzijnsstrategie&#235;n: harde dwangmaatregelen ruimen steeds meer plaats voor zelfdisciplinering.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;In de beginfase van het industri&#235;le kapitalisme (18-19de eeuw) wordt niet het fenomeen van de armoede als het maatschappelijke probleem gezien, maar wel de armen zelf. Hun ellende wordt gezien als het gevolg van hun onzedelijkheid: van ondeugden als luiheid, lichtzinnigheid, gemakzucht, gebrek aan verantwoordelijkheid voor de opvoeding van hun kinderen... De oplossing van het probleem van de armoede wordt dan ook gezocht in 'opvoeding': het volk moet opgevoed worden tot burgerlijke deugden (verantwoordelijkheid, arbeidzaamheid, zuinigheid, netheid, huiselijkheid). 'De verlichte opvoedkunde, die uitging van een optimistisch mensbeeld, van de menselijke waardigheid, van redelijkheid en verdraagzaamheid en die de vorming van het individu beoogde tot persoonlijke en maatschappelijke deugden, werd getransformeerd tot een straf opvoedingsstelsel voor de armen, dat uiteindelijk nog wel gebaseerd was op het geloof in de opvoedbaarheid van de mens maar dat ook over de konkrete armen niet anders dan in de zwartste termen kon spreken en hen daarvoor ook streng wilde aanpakken, zij het langs 'zachte wegen' (H. Michielse, Welzijn en Discipline, p.57).
Dit hield in dat wie kon werken ook moest werken en geen aanspraak kon maken op liefdadigheid. Dat kon goedschiks gebeuren: ondernemers kregen bijvoorbeeld overheidssubsidies voor de tewerkstelling en opleiding van werklozen of deze laatsten moesten werken in ruil voor hun uitkering (toen ook reeds!). De voorkeur ging uit naar produktieve, nuttige arbeid (i.t.t. de 17-eeuwse waterkelder bijvoorbeeld) en naar een karige beloning omdat de noodzaak moest aangevoeld worden om elders een 'echte' baan te zoeken (in hedendaagse termen: er moest 'doorgestroomd' worden naar het reguliere circuit). Lukte het niet goedschiks, dan maar kwaadschiks: het drakonische regime van het Tuchthuis hoorde weliswaar tot het verleden, maar de 19-eeuwse werkhuizen (waar hulpbehoeftigen in ruil voor werk eten en onderdak konden krijgen) hadden hun reputatie van 'gruwelhuizen' echt niet gestolen. Volgens Bentham, een bekende toenmalige ideoloog van het arbeidsethos, moesten de voorwaarden waaronder bijstand gegeven werd 'zo walgelijk, vernederend en onderdrukkend' zijn dat werklozen liever de meest uitputtende loonarbeid zouden aanvaarden dan in zo'n werkhuis terecht te komen ...
Opvoeding gebeurde ook doordat de filantropen direkte kontakten zochten met de hulpbehoevenden: door dit werk 'van mensch tot mensch' kreeg men vat op hun voelen, denken en doen. Daardoor manifesteerden de gegoeden zich niet uitsluitend meer als 'gevers' maar ook als huisvrienden. Gegeven werd er trouwens niet zozeer in klinkende munt (dat zou de natuur van de armen enkel bederven), als wel met goede raad: wees spaarzaam, arbeid regelmatig, lig niet in de kroeg, laat je kinderen niet op straat rondlummelen. De beste hulp die men een arme kon geven was 'hulp tot zelfhulp': de armen werden 'geaktiveerd' om op eigen kracht hun welzijn te verbeteren, met veronachtzaming van de maatschappelijke kontekst (is er wel werk? waarom zoeken de mensen troost in een akoholroes? waarom sturen moeders hun kinderen de straat op?). H. Michielse spreekt in dit verband van een 'pedagogisering' van de maatschappelijke problematiek: maatschappelijke problemen worden als opvoedingsproblemen gedefinieerd en als zodanig ook aangepakt ...&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Eens het kapitalisme haar kinderschoenen ontgroeid was (vanaf ong. 1890) drong het besef door dat elementair geschoolde en gezonde werkkrachten wel eens een meerwaarde voor het produktieproces zouden kunnen betekenen. Tegelijkertijd versnelde de toenemende politieke druk van een steeds sterkere en beter georganiseerde arbeidersbeweging de uitbouw van een sociale wetgeving. Daarmee werd er ingegrepen op maatschappelijke mistoestanden, die aan de basis lagen van veel individuele ellende en kreeg het schoolmeesterachtige optreden van de filantropen uit de eerste fase van het kapitalisme een materi&#235;le basis: de normen van huiselijkheid en hygi&#235;ne konden gerespekteerd worden van zodra er een voldoende aantal fatsoenlijke arbeiderswoningen ter beschikking stonden; de behoefte om het miserabele bestaan in een alkoholroes te vergeten zou kleiner worden met betere werkomstandigheden en meer vrije tijd; de neiging om werkloos rond te lummelen zou afnemen van zodra een groeiende ekonomie meer arbeidsplaatsen kre&#235;erde, enz. Deze sociale politiek zou haar hoogtepunt bereiken met de uitbouw van de sociale zekerheid, volledige werkgelegenheid en gestadig stijgende lonen in de periode na de tweede wereldoorlog. Dit Fordistische samenlevingsmodel werd in goede banen geleid door een aktief optredende verzorgingsstaat die een gevoelige verhoging van de levensstandaard van de werkende bevolking mogelijk maakte.
In dit kader van geleidelijke maatschappelijke integratie van de arbeidersklasse en haar groeiende participatie aan de beleidsstrukturen professionaliseerde ook het welzijnswerk dat nu in de eerste plaats werd ingezet om de landelijke bevolking industrie-minded te maken en verder om de nadelige gevolgen van de verstedelijking en industrialisering (normverloedering, gezins-en opvoedingsproblemen,enz.) op te vangen. In de regel wilde men deze processen van industri&#235;le en stedelijke ontwikkeling vergemakkelijken door de bevolking zelf zo veel mogelijk in te schakelen (denk bijvoorbeeld aan de voorzieningen die gekre&#235;erd werden in de nieuwe tuinwijken van de Limburgse mijngemeenten). En om die aktieve instemming te realiseren moest afgezien worden van macht-en dwangstrategie&#235;n en werd geopteerd voor normatief-re&#235;dukatieve strategie&#235;n.
Deze laatsten vonden hun typische belichaming in het 'social casework', nog een produkt van Amerikaanse bodem, dit keer van de eerste erkende sociale scholen uit het begin van deze eeuw. Social casework is een gespreksmethodiek gebaseerd op enkele eenvoudige principes: respekt voor de mens, luisteren, welwillend begrip en de benadering van de kli&#235;nt 'van mensch tot mensch'. Het etiket 'sociaal' wordt eraan vastgehecht omdat men zich richt op problemen die het direkte gevolg zijn van de verbrokkeling van traditionele levensverbanden onder invloed van de moderniseringsprocessen (echtelijke konflikten, opvoedingsproblemen, verwaarlozing van kinderen, zieken of bejaarden). De sociale werker probeert zijn kli&#235;nt inzicht te verschaffen in zijn/haar 'abnormaal' gedrag en samen met hem/haar op zoek gaan naar een oplossing. Twee Franse psychologen hebben deze benadering bekritiseerd als zijnde individualiserend waardoor maatschappelijke strukturen aan het oog onttrokken worden: 'Een algemene toestand wordt terug vertaald in termen van individuele geschiedenis, een gemeenschappelijk lot in termen van afzonderlijk gedrag, een komplex van objektieve oorzaken in persoonlijke verantwoordelijkheid' (R. Castel, J.F. Le cerf, Het verschijnsel psy, Commenius, 1983, p.219). Het 'pedagogisme van de vorige eeuw dreigt aldus door een 'psychologisme' vervangen te worden: er wordt gesteld dat de kli&#235;nt door zijn verkeerde psychologische ingesteldheid, zijn emotionele instabiliteit of zijn zwak ego 'onaangepast'
(i.p.v. het 19-eeuwse 'immorele') gedrag vertoont waarbij de harmonie met de omgeving hersteld moet worden door een individuele gedragsaanpassing.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Sinds het midden van de zeventiger jaren is het Fordistische samenlevingsmodel en de verzorgingsstaat in krisis geraakt en met hen de idealen van gelijkheid, rechtvaardigheid en solidariteit. Milton Friedman, &#233;&#233;n van de bekendste woordvoerders van het neo-liberale tegenoffensief, schrijft daarover het volgende: 'De meeste van de huidige welvaartsprogramma's hadden nimmer mogen zijn verordend. Indien dit niet het geval ware geweest zouden heel wat mensen, die er nu afhankelijk van zijn, zichzelf vertrouwende individuen zijn geworden i.p.v. lijfeigenen van de staat' (geciteerd in: K. Raes, p.187). Volgens dit discours heeft de verzorgingsstaat geleid tot een immoralistisch ethos dat een konsumentistische houding t.a.v. de overheid en de samenleving in de hand werkte. Men eist nu terug van de burger dat 'het maximaliseren van het eigenbelang en het eigen welzijn op kosten van de gemeenschap weer vervangen wordt door de klassieke solidariteit van het sociale gevoel, die ervan uitgaat dat de eigen verzorgingsbehoefte&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;minimaal is en dat de voorzieningen er voor de anderen zijn'
(H. Michielse, p.150). Dit heeft echter niet geleid tot een totale ommekeer in de welzijnsopvattingen, wel doet er zich een ontdubbeling van het welzijnsbeleid voor.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Enerzijds zal de psychologiserende welzijnstendens die in de naoorlogse periode de kop opstak, zich blijven doorzetten en zich zelfs versterken. Terwijl vroegere welzijnsinterventies erop gericht waren afwijkingen van de sociale norm (het normale gezin, de normale opvoeding, ...) in te dijken, zet er men nu de mensen toe aan zelf hun persoonlijke norm te stellen. Dat houdt verband met de in de voorgaande paragraaf vermelde kulturele verschuiving in de richting van een nieuw mensbeeld: 'Het beeld van de zichzelf vrijelijk uitsprekende, met anderen op basis van gelijkwaardigheid kommunicerende en daardoor zichzelf emanciperende of groeiende mens' (H. Michielse, p.152). Mensen hoeven zich niet meer te konformeren aan de denkbeelden, normen en waarden van het sociale milieu waarin ze zijn opgegroeid, maar kunnen in dialoog met hun omgeving eigen normen en waarden ontwikkelen, wel te verstaan onder deze nieuwe, beperkende voorwaarde 'dat de betrokkenen hun omgang regelen in onderling overleg en naar wederzijdse toestemming' (A. de Swaan, Uitgaansbeperking en Uitgangsangst, p.98). De partijen in interaktie moeten vaker en ernstiger rekening houden met andermans strevingen en er tegelijkertijd niet voor terugschrikken de eigen strevingen openhartig te verwoorden en tot gelding te brengen. Omdat deze 'onderhandelingshuishouding' (de term is van socioloog A. de Swaan) in de eerste plaats wortel geschoten heeft in de middenlagen van de samenleving, zal een deel van het welzijnswerk zich prioritair richten op het begeleiden van konfliktsituaties (tussen partners, tussen ouders en kinderen) die verband houden met deze zelfgestuurde identiteitsopbouw. Betrokkenen hebben voldoende intellektuele bagage om samen met de welzijnswerker een agenda op te stellen die tot doel moet hebben de verstoorde dialooghouding (tussen ouders en kind bijvoorbeeld) te herstellen. De welzijnswerker stelt zich op als een deskundige trajektbegeleider en neutrale scheidsrechter die zich echter niet in een positie bevindt om oplossingen op te dringen. Als er een oplossing in zicht komt is dit dankzij de persoonlijke inspanningen van de betrokkenen, die trouwens het recht hebben op elk moment van het proces af te zien van de goede diensten van de welzijnswerker.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Hetzelfde discours van dwangvrijheid, van overleg, dialoog en zelfsturing treffen we aan bij welzijns-en bemiddelingsinstellingen die zich richten tot steuntrekkers en werklozen. Maar hier dekt de vlag de lading niet.
De finaliteit van de agenda die bemiddelaars en sociale werkers samen met hun kli&#235;nten opstellen ligt op voorhand vast, nl. tewerkstelling in het reguliere ekonomische circuit. Tussenstappen die worden ingelast (opleidingen, stages, tijdelijke tewerkstelling in sociale bedrijven) zijn enkel bedoeld om de 'doorstroming' vlotter en met meer kans op succes te doen verlopen.
De realisatie van de aldus vastgelegde agenda wordt bij voorkeur in een kontraktformule (bv. integratiekontrakt of het veelbesproken inburgeringskontrakt voor migranten-nieuwkomers naar Nederlands model) gegoten. Hier wordt de fiktie gekre&#235;erd van een vrij aangegane overeenkomst waarbij de kli&#235;nt zich op voorhand akkoord verklaard met sankties als hij/zij er zich niet aan houdt. Hans Achterhuis trok jaren geleden al de vergelijking met 'de oude fiktie van het kapitalistische arbeidskontrakt, als een vrijwillige afspraak tussen werkgever en werknemer als gelijkwaardige partners'(p.311), waarbij gesuggereerd wordt dat de kontrakten uit vrije wil aangegaan zijn en ook weer even vrijelijk kunnen verbroken worden. Ook de Antwerpse socioloog Jan Vranken beklemtoont het ongelijke karakter van beide partners: 'Het komt er op neer dat men via de integratiekontrakten de hele OCMW-bijstand voorwaardelijk gekoppeld heeft aan de bereidheid tot integratie, wat zich uiteindelijk versmalt tot integratie op de arbeidsmarkt en dus tot de 'werkbereidheid'. Waarbij kruciaal is dat men eenzijdig sanktioneert: niet werken, geen uitkering meer. Maar aan de andere kant staat daar geen sanktie tegenover. Als de overheid geen werk kan waarborgen dan kraait daar geen haan naar. Is dat geen vreemde invulling van de kontrakt-idee?' (Rondetafelgesprek, p.34).
Door de schijn van dwangvrije kommunikatie hoog te houden wordt bovendien gesuggereerd dat strukturele problemen van armoede en werkloosheid teruggebracht kunnen worden tot individuele problemen van gedragsaanpassing, dialoogbereidheid, scholing en doorzettingsvermogen. Het accent op persoonlijke inspanningen maakt blind voor de grenzen die aan de zelfsturing opgelegd worden door sociale (klasse-sexe-etnische achtergronden) en ekonomische (jobloss growth) realiteiten. Maatschappelijke omstandigheden worden, zo stelt men, al te gemakkelijk ingeroepen als exkuus voor persoonlijke onverantwoordelijkheid: niets overkomt de mens, iedereen is even vrij en dus even verantwoordelijk voor het eigen slagen en falen!&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Dit tweesporenbeleid in het welzijnswerk zou wel eens een indikatie kunnen zijn van een groeiende tendens tot maatschappelijke dualisering 'waarin de aktieve, zelfbewuste en onderhandelende burger het voor het zeggen heeft. Deze burger zal zich echter voortdurend bedreigd voelen door een passieve, sjoemelende onderklasse die met een steeds strakker bevelsregime onder de duim gehouden moet worden' (L. Veendrick,
p.348).&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;ALTERNATIEVEN VOOR DE DWANGMATIGE AKTIVERING&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Loonarbeid is nooit erg populair geweest in de geschiedenis: vooral laaggeschoolden hebben het steeds geassocieerd met uibuiting, vervreemding en heteronomie (=afwezigheid van zelfbepaling). Van oudsher behoorde het daarom tot de kerntaken van het welzijnswerk om de arbeidsparticipatie van de lagere klassen te bevorderen. Vanaf het einde van de 19de eeuw is loonarbeid een min of meer algemeen geaccepteerd gegeven geworden in onze Westerse samenleving omdat de expansie van de markt een subsistentie-bestaan onmogelijk maakte en gewenning aan het leven als loonslaaf optrad. De acceptatie ervan werd ook vergemakkelijkt door de ontwikkeling van een kapitalistisch &#233;n socialistisch arbeidsethos en door de kompensatie van de negatieve aspekten van de loonarbeid via (een gerechtvaardigde hoop op) hogere lonen, verbetering van de arbeidsvoorwaarden-en omstandigheden, meer vrije tijd en grotere konsumptiemogelijkheden. De neo-liberale uitholling van de verzorgingsstaat heeft geleid tot het einde van de politiek van volledige werkgelegenheid en tot het fenomeen van strukturele en langdurige werkloosheid wat het arbeidsethos deed afbrokkelen. Bovendien kwamen ook de kompensatiemechanismen voor de loonarbeid onder vuur te liggen: de vroegere legitieme verwachting dat het in een nabije toekomst beter zou gaan is verdwenen. Daarnaast hebben kulturele verschuivingen geleid tot een nieuw model van identiteitsontwikkeling waarin zelfsturing en zelfontplooiing centraal staan. Laaggeschoolde arbeid voldoet echter niet aan de voorwaarden die vervuld moeten zijn om zelfontplooiing mogelijk te maken. 'Arbeid als zingever' blijkt in die gevallen een leugenachtige ideologie te zijn.
Een kombinatie van bovenstaande faktoren leidt ertoe dat een bepaalde fraktie van laaggeschoolden zich dreigt terug te trekken uit de wereld van de (loon)arbeid waardoor het schrikbeeld opduikt van het ontstaan van een ekonomisch overbodige, maatschappijbedreigende en politiek gevaarlijke onderklasse.
Er kunnen -in grote lijnen - drie wegen afgebakend worden om deze gevaarlijke ontwikkelingen het hoofd te bieden.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;De krachten die een belangrijke stem hebben in het kapitel van onze samenleving (politieke machthebbers, werkgevers- en werknemersorganisaties) kiezen eensgezind voor &#233;&#233;n of andere variant van de workfare-benadering: het voorwaardelijk maken van de bijstand en de sociale zekerheid om arbeidsparticipatie (meestal op de reguliere arbeidsmarkt) af te dwingen. Marc Andries, spreekbuis van de wergeversbelangen, heeft in het Rondetafelgesprek rond 'sociale aktivering', dit populaire standpunt het meest uitgesproken verwoord: 'Is het opleggen van aktivering aan werklozen en zelfs aan de bijstandstrekkers nu goed of niet? Is het voorzien in meer opleidingskansen en werkervaring niet positief? We hebben onze achterstand inzake aktiverend en jobkrerend werkgelegenheidsbeleid de laatste jaren eindelijk ingehaald. Waar klagen we over? Maar de vraag blijft natuurlijk wel wat je doet met mensen die ondanks alle inspanningen zeggen:laat deze kelk aan mij voorbij gaan. Wat doe je met deze uitvallers? De vraag is dan: hoe groot is de tolerantie van de samenleving hiervoor? Hoe groot is vooral de tolerantie van diegenen die dat moeten bekostigen door hun bijdragen? Dat kunnen ook mensen zijn met een gering inkomen, die vroeg moeten opstaan, het lastig hebben ... Ook zij moeten betalen voor de werkweigeraars. Als hun tolerantie grenzen bereikt kan je niet anders meer dan sankties opleggen. Want voor een beleid heb je nu eenmaal een maatschappelijke legitimiteit nodig'(p.39).&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Meestal vallen gelijkgezinden van Mr. Andries terug op twee rechtvaardigingen voor dit soort beleid. Enerzijds is er sprake van een noodzakelijke kostenbesparing: de oplopende kosten van een steeds toenemend aantal steuntrekkers zou de draagkracht van ons sociaal systeem overtreffen en om de 'goede kern' ervan te redden moet er dringend gesaneerd worden. De gefundeerdheid van dit argument zou men kunnen betwijfelen als men ervan uitgaat dat een serieuze aktiveringsstrategie van uitkeringstrekkers een individuele begeleiding veronderstelt van de geaktiveerden. Dat impliceert een massale inzet van door de overheid gesubsidieerde ambtenaren wat de besparing op de uitkeringen weer zou neutraliseren. Ik zou de vergelijking willen trekken met de drastische besparingen op het Amerikaanse welzijnsbudget die onder het presidentschap van Reagan werden doorgezet. De Californische prof L. Wacquant heeft in een artikel (Le Monde diplomatique, juillet 1998) aangetoond dat dit onrechtstreeks geleid heeft tot een spektakulaire verhoging van de kriminaliteit en tot een even hallucinante uitdijing van het justiti&#235;le budget. Om ons tot het gevangeniswezen te beperken: het gevangenispersoneel steeg op tien jaar tijd van 264.000 naar 347.000, de uitgaven voor de bouw van nieuwe gevangenissen nam in dezelfde periode met 612% toe, die van de werkingskosten met 325%. In plaats van besparingen te realiseren, zorgt men enkel voor de overheveling van overheidsfondsen naar haar repressieve departementen (in een dusdanige mate dat men in de V.S. is gaan spreken van een nieuwe 'Grote Opsluiting' naar analogie van wat er bij ons in de 17de eeuw gebeurd is).
Een ander argument tegen de besparingsredenering is dat van de lage produktiviteit van tewerkgestelden die lange tijd buiten de routines van het reguliere arbeidscircuit geleefd hebben. Omdat de loonkost (als men zich houdt aan de minimumlonen) hun produktiviteitsnivo overschrijdt, zal het verschil moeten bijgepast worden door de overheid. Besparingen zouden dan minimaal zijn.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Anderzijds zijn er ook gegronde redenen om de effektiviteit van de workfare-benadering in vraag te stellen. De tijd van de volledige werkgelegenheid ligt definitief achter ons: jobs voor laaggeschoolden worden gedelokaliseerd of weggeautomatiseerd (job-less of job-loss growth). Overheid en werkgevers voelen niets voor een voluntaristisch tewerkstellingsbeleid: de eerste uit vrees voor nieuwe overheidstekorten (norm van Maastricht!), de laatsten omdat de bedrijven zich niet prioritair verantwoordelijk achten voor het scheppen van nieuwe arbeidsplaatsen (eerste taak blijft: winst maken). Daarom kunnen we ons met Jan Vranken de vraag stellen: 'Kunnen we de schone belofte van werk wel waar maken? Kunnen we meer doen dan in de pot roeren en de werkloosheid laten rondstromen?'
Ervaringen uit de V.S., Engeland en Nederland leren ons dat, als er al sprake is van een uitbreiding van de wergelegenheid, deze vooral zal plaatsvinden in de zg 'Mc Donald'-banen: ongeschoolde en laaggeschoolde banen met een flexibel karakter die veelal in deeltijd moeten verricht worden. Het is arbeid 'met een marginaal 'ontwikkelingskarakter' van waaruit nauwelijks doorstroom mogelijk is naar banen waar men zijn arbeidskompetentie w&#233;l kan ontwikkelen' (Veendrick, p.332).
In het Rondetafelgesprek wijst Luc Notredame erop dat de integrerende funkties van arbeid dikwijls w&#233;l gerealiseerd worden in de opleiding, maar als sneeuw voor de zon smelten in het reguliere arbeidscircuit. In vele gevallen wordt er toegeleid naar uitbuiting en uitsluiting. De betrokkenen haken na verloop van tijd terug af en zakken (definitief?) weg in een marginaliseringstrechter. De Nederlander L. Veendrick onderscheidt daarbij een meer passieve reaktie op de buitensluiting -meestal terug te vinden bij vrouwen- waarbij men zich terugtrekt in de positie van de 'eeuwige verliezer': 'men wordt aan de kant gezet'. De aktieve reaktie is die van de 'krokodillen' -grote muilen en kleine handen- of stoere binken 'die ER niets meer mee te maken willen hebben'. Zij sluiten zich op in de identiteit van 'de eeuwige jongen zonder verantwoordelijkheden'. De stap naar de kriminaliteit is dan nog heel klein.
Sociale aktivering verwordt dan tot een springplank naar de maatschappelijke afgrond i.p.v. als brug naar volwaardig burgerschap en maatschappelijke integratie te fungeren. We zijn terug van weggeweest!&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Er bestaan alternatieven voor de dominerende workfare-benadering, maar dan zou het zwaartepunt van de aktivering verschuiven van de armen en werklozen naar de werkgevers en de overheid. Om met de eersten te beginnen: de Fordistische strategie om eentonig en intrinsiek waardeloze arbeid (hoog lastkarakter) beter te verlonen zou kunnen geherwaardeerd worden. De Duitse maatschappijkritikus Otto Ullrich vertelt ons de mooie anekdote van de ontmoeting tussen Henry Ford en een Indiaanse houtsnijder die Henry op de idee gebracht zou hebben om vervelend werk financieel te kompenseren: 'Ford bestelde bij de Indiaan twaalf houten stoelen van vijf dollar per stuk. Ford wilde de Indiaan arbeid besparen en zei: 'Maak maar twaalf dezelfde stoelen'. Daarop antwoordde de Indiaan: 'Maar dan kost iedere stoel wel drie dollar meer, want als ik &#233;&#233;n stoel snijd heb ik daar plezier in, maar wanneer ik twaalf keer hetzelfde model maak dan moet ook de verveling bij het werk betaald worden' (Wedstrijd zonder Winnaars, p.68).
We zouden de moraal van dit verhaal natuurlijk ook kunnen omkeren: als de werkgevers, zoals tegenwoordig, onder geen beding bereid zijn m&#233;&#233;r te betalen, dan moet er iets gedaan worden aan de kwaliteit van het laaggeschoolde werk. Laat ons ervoor zorgen dat arbeid kwalificerend wordt, dat het een dominant ontwikkelingskarakter krijgt, dat het kansen biedt om de arbeidstaakbeheersing van de werknemers te ontwikkelen ... 'Konkreet betekent dit dat de werknemer binnen het werk de mogelijkheid moet hebben zijn vakkennis verder te ontwikkelen zodat hij meer greep op zijn beroepsdomein krijgt. Dat hij meer en meer zelf moet kunnen bepalen hoe hij zijn werk aanpakt en op welke manier hij het uitvoert, waardoor hij steeds meer autonomie binnen zijn werk kan verwerven. En tenslotte dat hij allengs meer betrokken wordt bij de totale arbeidsorganisatie, waardoor hij meer zicht krijgt op zijn eigen bijdrage aan dit totaal en optimaler gebruik kan maken van de daarvoor openstaande medezeggenschapskanalen. (..) dat er ook ruimte voor de werknemer moet zijn om kontakten met andere wernemers te kunnen onderhouden' (Veendrick, pp.353-354). Klinkt allemaal erg mooi, zou de opwerping kunnen zijn, maar hoe zit het nu met de konkrete implementatie van zulke ab- strakte voorstellen. Dat die mogelijk is wordt bewezen door de Nederlandse Wet op Arbeidsomstandigheden die op 1 januari 1988 van kracht ging. In deze zogenaamde Arbo-wet werden bovengenoemde abstrakte voorschriften ge&#239;mplementeerd via kontroleerbare welzijnsbepalingen. Spijtig genoeg werd de navolging van deze richtlijnen overgelaten aan de 'zelfwerkzaamheid van de ondernemingen', terwijl de Arbeidsinspektie aanbevolen werd zich 'terughoudend' op te stellen en eerder 'informerend' en 'stimulerend' op te treden. Een kwestie van de internationale konkurrentiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven niet in gevaar te brengen, weet U wel!
Er zijn ook meer moreel getinte kritieken op courante vormen van werkorganisatie waarvan Ernst Friedrich Schumachers pleidooi voor een 'Boeddhistische' ekonomie en voor 'good work' een indrukwekkend voorbeeld is. Vanuit zulk een 'morele' ekonomische invalshoek zou een werkorganisatie die 'zinloos, vervelend, geestdodend en zenuwslopend wordt voor de arbeider niet veel minder dan misdadig zijn, het zou wijzen op een grotere bezorgdheid voor goederen dan voor mensen, een huiveringwekkend gebrek aan medelijden en een verderfelijke mate van gehechtheid aan de meest primitieve kant van dit bestaan in de wereld' (E.F. Schumacher, Hou het klein, p.53). In de voetsporen van Schumacher zal ook Hans Achterhuis onderscheid maken tussen goede en slechte arbeid waarbij hij het tot de taken van de vormingswerkers rekent om hun kursisten voldoende mentaal te wapenen om 'njet' te zeggen tegen slechte arbeid en meer goede arbeid te eisen. Tegelijkertijd waarschuwt hij echter tegen een overtrokken arbeidsethos dat via arbeid ALLE menselijke waarden gerealiseerd wil zien. In elke vorm van arbeid zal een bepaalde komponent 'noodzaak' en 'zwoegen' aanwezig zijn die niet zal kunnen overwonnen worden: daarom kan een mens nooit zijn volledige ontplooiing in arbeid alleen vinden en moet er een evenwaardige ruimte geschapen voor andere zinvolle bezigheden buiten de loonarbeid (o.a. autonome ambachtelijke aktiviteiten en politiek). Men zal er zich zelfs bij moeten neerleggen dat er ook altijd vervelende klussen zullen blijven bestaan die enkel een lastkarakter hebben maar die toch onontbeerlijk zijn voor de normale funktionering van de samenleving (het ophalen van huisvuil bijvoorbeeld of het leegpompen van beerputten). Als men niet bereid is de ongeschoolden die voor deze klusjes in aanmerking komen beter te betalen, dan moet er nagedacht worden over andere alternatieven, zoals socioloog Abram de Swaan bijna dertig jaar geleden reeds deed. 'En als dan niet alle geestdodende arbeid gemist kan worden, dan nog is het niet gezegd dat daarvoor een bepaalde bevolkingsgroep tot aan het eind van zijn levensdagen moet opdraaien. Als sommige eentonige werkzaamheden volstrekt onmisbaar zijn, dan zouden ze beurtelings vervuld kunnen worden door ieder die er baat bij heeft. Noodzakelijke ongeschoolde en geestdodende arbeid zou als corvee over de gemeenschap verdeeld kunnen worden; als het niet uitmaakt wie het doet en het geen scholing vereist, kan dus iedereen het bij toerbeurt een aantal malen in zijn leven doen. Het k&#224;n, dat wil niet zeggen dat het gebeurt, en onder dit stelsel zal het zeker nooit zo ver komen. Maar in de tussentijd zou een politieke gemeenschap die de ontplooiing van al zijn leden hoog in het vaandel schrijft, zich wat meer kunnen bekommeren om wat de ongeschoolden wordt aangedaan. Er zijn fabrieken gesloten, of de vestiging is ze geweigerd om wat ze in de natuurlijke omgeving aanrichten; maar in de bedrijven gaat het mensbederf gewoon door' (A. de Swaan, Een Boterham met Tevredenheid, p.30).&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;Er bestaat nog een ander, minder konventioneel alternatief voor de workfare-benadering dan de kwalitatieve opwaardering van laaggeschoolde arbeidsposten. Verschillende deelnemers aan het in dit hoofdstuk afgedrukte Rondetafelgesprek over 'sociale aktivering' zijn de mening toegedaan dat de heilzame funkties van de arbeid misschien wel even goed en waarschijnlijk zelfs beter kunnen gerealiseerd worden in werk dat buiten het normale ekonomische circuit gesitueerd is. Er wordt hierbij gedacht aan een 'sociale ekonomie' waarvan de bouwstenen (in de vorm van opleidings-en tewerkstellingsprojekten, aktiviteitenboerderijen, enz.) nu reeds aanwezig zijn maar die momenteel enkel opgevat worden als doorstromingskanalen naar de reguliere markt. De overheid stelt alles in het werk om de 'onvolwaardigheid' van deze sekundaire arbeidsmarkt in de verf te zetten door haar te degraderen 'tot een middel om baanlozen een gedrag op te leggen dat door de arbeidsmarkt wordt verlangd, tot trainingskamp om mensen fit te houden voor (niet aanwezige) banen, tot een instrument om op nauwelijks verholen wijze macht te kunnen blijven uitoefenen over mensen die men feitelijk geen perspektief te bieden heeft' (R. Janssen, Dansen en Ontspringen, p.95). De Nederlandse socioloog Raf Janssen, aan wie dit citaat ontleend is, probeert reeds meer dan 15 jaar zijn overheid te overhalen haar sociale politiek over een fundamenteel andere boeg te gooien: hij pleit voor een grondige opwaardering van maatschappelijk nuttige taken (zorg voor kinderen en andere hulpbehoevenden, vrijwilligerswerk, eigenarbeid in de vorm van ko&#246;peraties en ruilkringen (LET's), milieu-arbeid, enz.) die behandeld zouden moeten worden als fundamenteel gelijkwaardig met en zelfs als een noodzakelijke aanvullende korrektie op de eerste arbeidsmarkt.&lt;/p&gt; &lt;p class=&quot;spip&quot;&gt;'Loonarbeid wordt meer dan ooit gepresenteerd als het levensbepalend scharnierpunt en de ordescheppende sleutelkategorie. Enkel mensen die betaald werk hebben, mogen ten volle delen in de via aller arbeid gezamenlijk geproduceerde goederen en diensten. Enkel deze 'aktieven' mogen rekenen op volle erkenning en waardering. (...) Een sociale politiek die hierin kritiekloos meegaat, verliest haar traditionele funktie van 'inburgering', dat wil zeggen ervoor te zorgen dat mensen bij de samenleving betrokken kunnen blijven, eraan kunnen blijven deelhebben en deelnemen. Zo'n politiek loopt het gevaar zich te ontwikkelen tot een vorm van 'ge&#239;nstitutionaliseerde uitburgering'. Door alleen maar oog te hebben voor baanarbeid en mensen onder druk te zetten zich enkel hiermee in te burgeren, burgert men in feite veel mensen en hun arbeid uit, maakt hen minderwaardig. (...) Participatie wordt verengd tot marktassimilatie. Dat is een miskenning en diskwalifikatie van alle mensen die buiten het systeem van de baanarbeid belangrijke maatschappelijke arbeid verrichten, zoals bijvoorbeeld het opvoeden van kinderen, het helpen van andere mensen en het zorgen voor samenhang en gezelligheid. De toenemende samenloosheid van de moderne maatschappij roept de vraag op of de mensen hun maatschappelijke deelname niet m&#233;&#233;r zouden moeten afstemmen op dit levensbewarende werk. Zou de maatschappij haar ordening niet m&#233;&#233;r moeten afstemmen op dit werk, zodat mensen ook de mogelijkheid krijgen zich hierin te ontplooien?' (Dansen en Ontspringen, pp.128-129).
Een kwalitatieve reorganisatie van de bestaande ongeschoolde arbeid en een serieuze erkenning en opwaardering van de niet-marktgerichte arbeid zou de kloof tussen zij 'die moeten leven zonder te kunnen werken' en zij 'die moeten werken zonder te kunnen leven' dichten. De in het begin van deze introduktie vermelde 'paradox van arbeid en werkloosheid' zou daardoor grotendeels opgelost worden: werklozen zouden niet -onder het mom van een gemeenschappelijk overeengekomen kontrakt- onder zachte dwang gedreven moeten worden naar loonarbeid die zij onmogelijk als zingevend kunnen ervaren. Werkenden daarentegen zullen weer meer voldoening vinden in banen die minder ziekmakend zijn terwijl (tijdelijke) overgangen naar het tweede arbeidscircuit -die wettelijk mogelijk gemaakt kunnen worden- financieel niet meer gesanktioneerd zouden worden. De exklusieve aktivering van uitkeringstrekkers (die hen opzadelt met het stigma van profiteur en parasiet) zou plaats moeten maken voor een gelijktijdige aktivering van de werkgevers en van de overheid. Zo kan de aktivering van de uitkeringstrekkers terug een emancipatorische invulling krijgen: i.p.v. een straf inhaalbeleid dat achterblijvers inpast in de verder galloperende modernisering van de loonarbeidsmaatschappij zal het een stimuleringsbeleid worden dat, rekening houdend met de individuele talenten, motivaties en verwachtingen van de betrokkenen, een breed scala van aktiviteiten met een dominerend ontwikkelingskarakter kan aanbieden. Dan is het niet langer nodig de fiktie van een dwangvrij vastgelegde agenda (waarvan de finaliteit nochtans op voorhand reeds vastligt) op te houden en kan de zelfontplooiing van de uitkeringstrekker echt centraal gesteld worden. Ter wijze van afsluiting laten wij Ton Geurtsen hierover aan het woord: 'De wijze waarop uitkeringsgerechtigden met hun positie omgaan, dient vanuit de subjektieve beleving van de betrokkenen beschouwd te worden. Ook als dit een gerichtheid op het baanstelsel impliceert, kan dit als een rationele keuze worden aangemerkt, daar de middelen om alternatieven te realiseren nauwelijks voorhanden zijn en voor bepaalde groepen en individuen wellicht onbereikbaar. Maar andere wegen worden vanuit deze optiek eveneens zichtbaar, wegen die de betaalde arbeid relativeren. Deze alternatieven komen niet voort uit een proklamatie van een recht op luiheid. Dit kan van tijd tot tijd een aardige uitroep zijn om tegen de arbeidsverslaving in te brengen. Maar als alternatief faalt het, omdat dit extremisme slechts kan opbloeien in een maatschappij waarin het al even eenzijdige neurotische arbeiden tot graadmeter van het menszijn is geworden' (Nachtmerries op een duivels Oorkussen, p.226).&lt;/p&gt;&lt;/div&gt;
		
		</content:encoded>


		

	</item>





</channel>

</rss>
