Guy Debord is een helse machine die moeilijk te ontmijnen is. En toch heeft men het geprobeerd. En probeert men het nog steeds. Men probeert hem te neutraliseren, te verzachten, te esthetiseren, te banaliseren. Niets helpt. De dynamiet blijft erin en riskeert te exploderen in de handen van degenen die het willen ontmijnen.
René Schérer en Giorgio Passerone hebben een boek over Pasolini gepubliceerd, onder de titel ‘Passages pasoliniens’. De Franse vrije zender Radio Libertaire interviewde één van beide auteurs over de Italiaanse cineast, dichter, schrijver, homo en activist. Johny Lenaerts vertaalde.
We leven in een tijd die door Marx gekenmerkt werd als een tijd van algemeen verval, van universele koopbaarheid. En nu schildert ons Elvis Peeters, in zijn nieuwste roman ‘Wij’, een vriendengroepje – vier meisjes, vier jongens – dat een seksbedrijfje ontwikkelt, waar we op microschaal de hedendaagse wereld in kunnen herkennen.
Nieuw aan deze crisis is dat niemand de schuld aan de werklozen geeft. Niemand klaagt erover dat ze te lui zijn. Niemand verlangt dat ze asperges steken. Niemand beweert dat ze te veel geld van de staat ontvangen. De laatste keer was dat anders. Ook in de jaren 2002 tot 2005 kende Duitsland een zware crisis. Het aantal werklozen lag haast bij de vijf miljoen, veel hoger dan nu, in de talkshows stelden de moderatoren steeds weer dezelfde vraag: Waar is het aan te wijten? Waarom gaat het het land zo slecht?
De Duitse schrijver Alfred Döblin geeft een beeld van de economische crisis van de jaren dertig, dat, in het licht van een aantal recente gebeurtenissen, erg vertrouwd overkomt.
Toen ik nog werkte in België woonde ik ooit een "studiedag" bij (met Electrabel als één van de promotoren) waarin het effekt van hoogspanningskabels toegeschreven werd aan "massahysterie". Uit de brief van Joris Bosmans (Humo 3514) blijkt dat er de afgelopen 15 jaar geen stap vooruit is gezet in deze materie, en "massahysterie" nog steeds de officiële leer blijft. Van mijn kant heb ik wel de moeite genomen om mijn licht op te steken bij andere bronnen. Laat ons beginnen bij het begin. De (...)
Mathias Bienstman, medewerker van Netwerk Vlaanderen, pleit in deze tekst voor een sociaal transitiefonds in de sector van energierenovatie. Opmerkingen en commentaren zijn welkom bij de auteur. Zie onderaan voor gegevens.
Het concept ’transities’ is vandaag in volle opgang. Zoals we al eerder aangaven op de website is het belangrijk om aandacht te geven aan hoopvolle, enthousiasmerende projecten en experimenten. Transition town Totnes is zo’n voorbeeld hiervan. Het volgende artikel van Peter Polder verscheen in het Nederlandse webzine Ravagedigitaal (25 juli 2008).
Het is een oorlog van een nieuw type dat de Scientology Kerk sedert enkele dagen te verduren heeft. Want het is namelijk op het virtuele terrein dat zich momenteel de strijd van de antisekteactivisten afspeelt. Verschillende internetsites van de Scientology Kerk (die volgens rapport nr 2468 van het Franse parlement als een sekte beschouwd wordt) worden aldus door internet-‘hacktivisten’ en door een denkbeeldige groep onder de benaming ‘Anonymus’, geviseerd.
Midden jaren zestig. Raymond Borde is een vermaard filmcriticus. Zijn specialiteit: de erotische film. Op lyrische wijze schrijft hij over ‘het zoete, zeer zoete droombeeld’ van lesbiennes die in een somber kasteel opgesloten worden. Hij beschrijft hoe in het leven van de man het opduiken van de eerste lesbiennes op het witte doek ‘de opborreling van het meest natuurlijke wonder ter wereld’ met zich meebrengt. ‘Dat gebeurt rond het zestiende jaar. (...) Maar meedogenloze regels leggen deze waanzin het zwijgen op. Op de eerste plaats is er niemand die op dit droombeeld antwoordt. Het poogt zich tevergeefs te objectiveren.’
vrijdag 25 april 2008, door Johny Lenaerts
Een oproer is natuurlijk zelden enthousiasmerend. Het klinkt paradoxaal de chaos te willen verdedigen. Diens actoren zijn over het algemeen obscuur, verward, en niet altijd heldhaftig. Er heerst een geur van onbestemd geweld, zonder welbepaald doel, een absurditeit die ons gevoel voor rede choqueert als we bedenken dat elke anticipatie uitgesteld werd naar een onontkoombare toekomst. In tegenstelling tot oorlogen of revoluties, worden de doden die haar veroorzaken of die ze achter zich laten, nooit gedecoreerd. Melancholie, wanhoop, nihilisme, gebrek aan zelfrespect: de minst oorlogszuchtige rechterzijde heeft niet geaarzeld om variaties op dit opgelegde beeld van de relschopper te ontwerpen. Met fluwelen handschoenen, zoals dat hoort. Maar de verlegenheid van de linkerzijde slaat ons met verstomming. Vanwaar die voorafgaande behoefte om de acties te veroordelen? Is dat om er zeker van te zijn dat men zich niet afzondert van het goede volk, dat men deze keer zal versmelten met een maatschappelijk lichaam dat verteerd wordt door angst? Alsof de jongeren die alles vernield hebben, henzelf daarbij inbegrepen, niet wisten dat ze laakbare daden stelden? In een maatschappij waarin alles dient betaald te worden, waarin de auto, samen met het sportspektakel, hetzelfde betekent als het brood en de spelen voor het plebs in de tijd van het Romeinse rijk; in een zo propere maatschappij waarin men zodanig verkoopbare afval leert recycleren dat ze de mens tot kleenex reduceert, denkt men dat daarin de jongeren zo dom zijn dat ze niet zouden kunnen weten dat de auto, de bus, de kindercrèches en de vuilniszakken emblemen zijn waar men zich niet straffeloos aan vergrijpt? Alsof ze zo gek zouden zijn niet te weten dat ze de orde overtraden. Maar deze transgressie was misschien voor hen het enige middel om onze maatschappij die zo goed overweg kan met veel grotere permanente geweldsvormen, te doen inzien dat de dood van twee van hen een onverdraaglijke transgressie vormde.
Op een goeie dag hebben dus jongeren van alle banlieues van Frankrijk, op enkele na, alles vernield. Zonder enige andere organisatievorm dan de media en de moderne communicatiemiddelen (het mobieltje, de sms), heeft deze beweging van chaos zich over heel het land verspreid zoals men dat sedert 1968 niet meer gezien had.
Nu al worden deze onlusten van oktober en november 2005 verheven tot het niveau van een gebeurtenis. De razernij om hen als een gebeurtenis, als het opduiken van iets nieuws, uit te wissen, is nog niet opgedoken: de seculiere arm van de Staat slaat nog steeds. Maar de wil om hen ook maar enige politieke dimensie te ontzeggen is, wat haar betreft, reeds alomtegenwoordig en bedreigend. De historici weten dat de relschoppers enkel maar de eer van de ‘politiek’ te beurt valt als ze het bedje spreiden voor een opstand die erin slaagt een macht omver te werpen, of als het oproer zich omvormt tot een duidelijk herkenbare revolutie; daarzonder worden ze verwezen naar de rand van de ‘sociale’ onbeduidendheid, die per definitie doof is, en hen wordt het statuut van subject ontzegd, hun interventies worden gereduceerd tot het niveau van het geruis of van een wind van een maatschappelijk lichaam dat hen geabsorbeerd heeft om er zijn metabolisme mee te voeden - alvorens het weer uit te spuwen.
Het woord gebeurtenis zelf verwijst evenwel naar iets ondefinieerbaars, naar een verrassingselement. Het signaleert dat er zich een lek heeft voorgedaan in het begrippenapparaat. Geen enkel strikt aanwijsbaar feit slaagt erin gebeurtenis te zijn. Frankrijk heeft verschillende urbane revoltes gekend, bijvoorbeeld die van Les Minguettes in Lyon. Deze revoltes werden zonder gevolg bijgezet bij de ‘feitjes’ van de lokale samenleving, niet bij de gebeurtenissen van nationaal belang, behalve door enkele zeldzame sociologen die reeds twintig jaar aan de alarmbel trekken.
In deze gebeurtenissen van november 2005 kunnen we drie ‘ontsporingen’ onderscheiden.
In de eerste plaats die van de politie- en overheidsopvattingen over de delinquentie en de criminaliteit die een ‘koude’ behandeling van de ‘hete’ wijken moesten schragen. Het woord ‘racaille’ (tuig, geteisem, uitschot) is geen origineel begrip van de Minister van Binnenlandse Zaken; de aanklacht van ‘asociale elementen’ of van ‘hooligans’ door de Sovjetregering, van ‘antinationale elementen’ door de huidige Chinese regering, van de ‘wilden’ door Jean-Pierre Chevènement, van de ‘enragés’ van Marcellin of de ‘untorelli’ van Enrico Berlinguer in de tijd van de beweging van 1977 in Italië, bevatten allemaal hetzelfde procédé van de regering of van de politieke krachten die regeringszetels beogen: men erkent het ontstaan van een ‘politieke’ chaos, van een openbare ordeverstoring, terwijl men het terzelfder tijd elk politiek karakter dat vroeg of laat zou kunnen leiden naar zijn integratie in de mechanismen van vertegenwoordiging van legitieme belangen, ontzegt.
De tweede ontsporing, die nóg een oproer tot een Europese gebeurtenis omgevormd heeft, is de uitbreiding van de revolte die als een olievlek dag na dag toenam, tot in de provincie (die zich traditioneel verzet tegen de agitatie in Parijs, net als in 1968) en die openlijk onthulde wat de statistieken moeilijk konden aantonen. Haast 85 procent van de Franse bevolking woont momenteel in voorsteden; de rurale levenswijze en haar befaamde levensniveau gaan achteruit en de bewoners van de reeds bevoorrechte stadskernen overspoelen de overgebleven rurale ruimte. De niet-stad die de banlieue is, komt in de meerderheid. Dijon, Pau, Tours, Caen, Rennes hebben hun hoogbouwwijken, hun probleemwijken, zoals Sarcelle, La Courneuve, Dammerie-les-Lys. Het kleine dorpje dat in 1981 op de verkiezingsaffiche van François Mitterrand prijkte en dat het rustige Frankrijk voorstelde, is ver weg. Romani Prodi heeft bij zijn politieke rentree in Italië benadrukt dat de situatie Europees is en dat de Italiaanse banlieues erger zijn dan de Franse.
De derde ontsporing tegenover de betekenis van de begrippen ‘revolte’ en ‘oproer’ in de politieke woordenschat, en die er de intensiteit van weergeven, is het buitengewone isolement van deze ‘beweging’ tegenover de rest van de samenleving. Deze relschoppers zijn geïsoleerd op alle niveaus: binnen de banlieues die niet helemaal aan hun beeld beantwoorden; binnen de gezinnen waar ouders, grote broer of zus weinig aan de revolte deelgenomen hebben, behalve wanneer ze direct getroffen waren door de politierepressie. Tenslotte, binnen de immigratie en de verschillende immigratiegolven: de revolte brengt de zeer jonge Beurs (jonge tweedegeneratie-immigranten) en Afrikanen – en enkel hen – in beweging. Tijdens de Mars voor de Gelijkheid in 1984 (die erop uitliep dat de jongeren verblijfsvergunningen kregen voor hun ouders of verwanten, maar niets voor zichzelf), waren enkel de Beurs zichtbaar. In 2005 waren de Afrikanen en de Franse Zwarten uit de overzeese gebieden zeer zichtbaar.
Vormen de gebeurtenissen van oktober en november 2005 een beweging, een sociale beweging, met haar eisen, met haar organisatievormen, met haar woordvoerders en actiecomités, zoals dat bij de studenten en de verplegers in 1995 het geval was? Neen, natuurlijk niet, indien het erom zou gaan een label van getrouwheid aan de Franse norm van ‘politieke kwaliteit’ uit te reiken. Het antwoord lijkt evenwel niet zo evident als het op het eerste zicht lijkt. Een vorm van organisatie? Het mobieltje heeft kwetsbare vormen van ontmoeting overbodig gemaakt. Via internet kunnen woorden en beelden verspreid worden die maar al te dikwijls door de televisie weggemoffeld worden. Eisen? Vinden we er in het onderhavige geval niet de eis in terug die bij alle ‘incidenten’ of ‘disfuncties’, om de eufemismen van de technici van de ordehandhaving te gebruiken, voorkomt: de erkenning van de overheid dat er een fout begaan werd, dat er iets verkeerds gebeurd is. Het zou absurd zijn aan deze gewelddadige revoltes elke eis die karakteristiek is voor een sociale beweging, te onthouden. Moest men dat doen, dan zou drievierde van de reële politieke bewegingen die de aarde kent ook apolitiek zijn. Ze zijn niet institutioneel; ze zijn niet geïntegreerd in het complexe vertegenwoordigingssysteem; maar het is mogelijk dat ze de nieuwe behoeften van de maatschappij uitdrukken. Indien het oproer ontstond vanuit het woedende protest tegen de dood in een elektriciteitstransformator van twee jongeren die voor de politie op de vlucht waren, dan wordt uit de door de kranten geregistreerde woorden duidelijk dat het de politiebrutaliteit is, de constante excessen, kortom de vernedering en het gebrek aan erkenning, die de kern van de grieven vormen. De ontketening van het oproer is voor een groot gedeelte te wijten aan het ontbreken van de excuses van de ordetroepen en aan de olie die door hun verantwoordelijke bij de regering op het vuur geworpen werd, en dat ondanks de pathetische verwittigingen van Azouz Begag, afgevaardigd Minister voor Gelijkekansenbeleid. We hebben hier te maken met het klassieke scenario van raciale opstanden zoals die regelmatig uitbreken in de Verenigde Staten of in Engeland. Een scenario dat als een schoolvoorbeeld bestudeerd wordt in de Hogeschool voor Topambtenaren. Maar er is méér: de weigering om aan de relschoppers elke subjectiviteit van enig belang toe te kennen getuigt van dezelfde verblinding, van hetzelfde misprijzen als men tegenover rappers aan de dag legt. Hoe zouden we niet ontroerd kunnen worden door de grote fijnzinnigheid van een jongere uit de banlieues toen hij, in het heetst van de strijd, over de minister van Binnenlandse Zaken zei: ‘Sarkozy moet Frans leren. Hij spreekt als op straat. Hij is grof. In de regering spreekt men niet als op straat.’ Hier wordt het populistisch karakter van de recente communicatie van Nicolas Sarkozy met één enkele repliek de grond in geboord. Communicatie, want men zou ‘de eerste flic van Frankrijk’ (zoals Georges Clemenceau zei) niet mogen verwijten dat we ook maar één minuut zouden geloven in de woorden die hij gebruikt om bij het electoraat van extreemrechts in de gunst te komen. Het plebs wantrouwt dikwijls de demagogen. Enkele erg geïsoleerde stemmen hebben zich in elk geval uitgesproken tegen deze onbetamelijke ontkenning. Ze hebben de eer gered van wat er, na twintig jaren van walgingwekkende ‘restauratie’, aan Franse intellectuelen overblijft. Ik herinner me het gebrul tegen de ‘enragés’ van Nanterre in 1968, tegen de ‘casseurs’ van Saint-Lazare in 1979. In beide gevallen waren deze ontsporingen de voorbodes van een grote verandering (mei 1968, de machtswisseling van Mitterrand). Dus een beetje voorzichtiger, voorzichtige heren! Het zou kunnen, zoals Françoise Blum in een moedige tribune opmerkte (1), dat deze ‘apolitieke’ jongeren de zaken méér in beweging brengen dan dertig jaar geklungel en beloftes en dat ze begonnen zijn ons te verlossen van de hypotheek Sarkozy, iets waar de ‘politieke en verantwoordingsvolle’ linkerzijde, verstrikt als ze is in de presidentiële keuken, blijkbaar niet toe in staat is. Laatste opmerking: men kan niet tegelijkertijd zeggen dat de jongeren van de banlieues die bij de recente gebeurtenissen betrokken waren onbeduidend zijn en hen behandelen als oproerlingen die men hard dient te straffen. Men kan overigens niet de noodtoestand uitroepen alsof de Staat aan het wankelen is omdat wat jonge snaken auto’s en alles wat hen onder handen komt in brand steken, nadat ze gezien hebben dat twee van hen geëlektrocuteerd werden toen ze probeerden te ontsnappen aan een van de spijtig veel voorkomende jachtpartijen van de politie. Deze woedende reactie was voorspelbaar zoals twee maal twee vier is, zelfs indien de omvang en zijn uitbreiding konden verrassen.
Maar er is nog een andere reden dat deze revolte zonder vooropgezet plan, zonder strategie, zonder woordvoerder, tot een gebeurtenis in de volle betekenis van de term maakt. Zoals de zanger van een rapband met gezond verstand benadrukte, zijn drie weken oproer erin geslaagd eindelijk de kwestie van de banlieues ter sprake te brengen. Zij hebben dit verplicht nummertje voor urbanisten, technici en lokale raadssleden omgevormd tot een maatschappelijke kwestie. De banlieues zouden het gevolg zijn van een blijvende sociale pathologie waar sommigen zich bij wilden neerleggen, zoals vroeger bij malaria, bij tuberculose of, voor anderen, als symptoom of voedingsbodem, zonder belang op zich, van een ander ‘kwaad’, het islamitisch fundamentalisme, dat, in tegenstelling tot de gerevolteerde jongeren, wél aanspraak mag maken op de eer een politiek verschijnsel te zijn. De eerste – duur betaalde – overwinning van deze zeer jonge relschoppers bestaat erin de kwestie van het maatschappelijke getto, dat men nergens anders dan in de VS wilde herkennen (en waarbij men vergat dat het uitgevonden werd in het middeleeuwse Europa, in Venetië), tot een direct onderwerp van algemeen en van maatschappelijk belang gemaakt te hebben. Jean Baudrillard onthulde dat er enkele duizenden verbrande auto’s in drie weken tijd nodig waren opdat het cijfer van het aantal wagens dat elke week van het jaar in Frankrijk verbrand wordt (te weten, gemiddeld tachtig) uit het gesloten cenakel van de experts gehaald werd. Waarom was daar zoveel vernieling voor nodig? Hadden we daar niet op een andere manier aan kunnen komen, vragen de grote rationele geesten zich schijnheilig af, terwijl ze zonder verpinken aanvaarden dat een bepaalde bedrijfsleider als vertrekpremie het equivalent van 2500 keer het minimumloon ontvangt? Welke verspilling, mompelen ze in koor, verontwaardigd over zoveel geweld! De a posteriori raadgevers zijn niet de betalers. Hebben ze geen dertig jaar de tijd gehad om te handelen? En nu we het toch over rekeningen hebben, hoe hoog schatten zij de verspilling (om het nog maar niet al te gemakkelijk over de schade aan de gezinnen, aan de gemoedsgesteldheid te hebben) van de werkloosheid van het gezinshoofd, van de kleine klusjes voor de kinderen, van de trucjes om het hoofd boven water te kunnen houden, van de schoolachterstand, van de precaire arbeidsvoorwaarden en van het geweld dat de meisjes en de moeders te beurt valt? De berekening is snel gemaakt: 4500 verbrande auto’s, verschillende duizenden vuilniszakken, enkele vrachtwagens, bussen en tramstellen, een school, auto-opslagplaatsen, een supermarkt, een bedrijf, enerzijds: dat vertegenwoordigt enkele honderden miljoenen euro’s op korte termijn. Daartegenover staan enkele tientallen miljarden euro’s, en ongetwijfeld veel méér op lange termijn.
Men moet de maatschappij verdedigen tegen de orde. Men moet dus de relschoppers verdedigen tegen een uiterst beperkte – om niet te zeggen: primaire – opvatting van de orde. En de dwaasheid van de relschoppers, die tot in den treuren aangeklaagd wordt, vormt ongetwijfeld niet het grootste aspect van de zaak. Onze regeringsleiders, en enkele van onze regeringskandidaten, hebben de afgelopen weken een dosis sociale blindheid tentoongespreid, een dosis bokkige stijfhoofdigheid, volharding in de boosheid, een absurde en lege consensus, die werkelijk onrustbarend is. De vulgariteit is slechts de graadmeter van de grote kwetsbaarheid van de legitimiteit waar de regeerders en de aspirant-regeerders zich op beroepen. De consensus die met veel moeite bereikt werd (zoals 68 procent van de burgers zegt tevreden te zijn met de noodtoestand) regelt niets en zou wel eens gelijkaardige catastrofes als op 21 april 2002 kunnen voorbereiden, met deze keer een Le Pen die 19 procent van de stemmen achter zijn naam kan schrijven!
We zouden niet mogen vergeten dat we slechts een menselijke samenleving vormen, en geen mierennest, in de mate dat we – ik zeg wel degelijk ‘we’ – in staat zijn tot woede – anders gezegd: tot een zekere vorm van waanzin – en tot oproer. Ja, tot oproer. In de mate dat we in staat zijn, ten eerste, haar voort te brengen, dus in haar onze eigen kinderen te herkennen (en niet, op een straffende manier, die van de ‘uitgeslotenen’, die van de ‘anderen’, die van de ‘vreemdelingen’ die men repatrieert). Vervolgens in de mate dat we in staat zijn de pijn van elk wezen dat hetzelfde kleine stukje aarde met ons deelt, te respecteren, dat we in staat zijn in opstand te komen tegen de schuldige absurditeit van een opeenvolging van gebeurtenissen die koudbloedig de doodsstraf fabriceren in een Europa dat het als staatsinstrument uitgebannen heeft. Dat we ook in staat zijn een panische angst meester te zijn, een angst tegenover die ijzige toekomst die reeds voor hen realiteit is en waarvan deze relschoppers ons het wrede spiegelbeeld voorhouden. Dat we ten slotte in staat zijn op een intelligente manier te reageren op deze brutale gebeurtenis. We dienen rekening te houden met wat er gezegd wordt, met wat er zich afspeelt in deze Franse banlieuerevoltes, en we dienen rekening te houden met de gigantische onuitgesproken woorden die er, net als een gestolen brief, in schuilgaan, en dat in verregaande mate de ongelooflijke kortzichtigheid bepaalt van de regeringen die we de laatste dertig jaren gekend hebben.
De drempel van wat waarneembaar is ligt in de huidige informatiemaatschappij zeer hoog. De burger-consument in staat stellen te schiften in het relevante nieuws in een oorverdovend kabaal, is zelden gratis. Kijk eens wat de reclame de machtigen kost als ze ons de meest triviale spullen proberen aan te smeren. De interessante zaken blijven opgesloten in de culturele getto’s terwijl de menigte, het volk, het ‘publiek’, enkel recht heeft op middelmatigheid. De vernederden en beledigden, die niet stemmen, die er nog niet de leeftijd voor hebben, hebben het zeer moeilijk om de aandacht naar zich toe te trekken. Opdat de moderne mediamaatschappij ondanks alles de onderbewuste boodschap van de relschoppers begon waar te nemen, was er dus chaos nodig. Daarvoor waren er dus doden nodig: de eerste twee, die de aanleiding tot de rellen vormden; de derde bij de tragische herhaling van een scène die zich al duizend keer op de parkings van de flatgebouwen afgespeeld heeft: de bejaarde die zijn auto beschermt, de jongeren die zich op een absurde manier wreken voor de tientallen schermutselingen waar ze bij een partijtje voetbal mee geconfronteerd werden. Er waren 3500 arrestaties op heterdaad nodig, 1600 arrestaties achteraf, en 500 veroordelingen (dit zijn nog maar voorlopige cijfers). Er waren enkele tientallen uitwijzingen nodig (ze zullen ongetwijfeld via Ceuta en Melilla proberen het prikkeldraad van Fort Europa over te steken om terug naar huis te gaan, d.w.z. naar Frankrijk).
De noodtoestand werd dus afgekondigd. De avondklok kan, departement per departement, in de banlieues en in de stadscentra ingesteld worden. Dat is niet niks. Frankrijk heeft op een prachtige manier de draak gestoken met de oorlogsverklaring van G.W. Bush tegen het terrorisme en met de opschorting nà11 september 2001 van vele fundamentele vrijheden in de VS via de Patriot-wet 1 en de Patriot-wet 2. Maar, via een oude wet uit het einde van de oorlog in Indochina en het begin van die van Algerije (1955), proclameert ze de noodtoestand voor enkele auto’s die door een stelletje jonge snaken in brand gestoken werden. De Algerijnse staat, die de opstand van het Kabylische volk in het bloed gesmoord heeft, moet van mening zijn dat dit niet helemaal van smaak ontheven is, afgezien van zijn kwetsbare kantjes voor de oudere generaties die de Franse koloniale staat nog gekend hebben: die van de slachtpartijen van Sétif en Constantine in Algerije (2) of van Madagaskar in Afrika (3); die van 17 oktober 1961, toen een zekere Maurice Papon enkele honderden Algerijnen in de Seine liet werpen (4). Om het nog maar niet te hebben over haar onbewuste boodschap aan jongeren die verklaringen in de handen gestopt krijgen van enkele fundamentalistische emirs en waarin Frankrijk als vijand nummer één afgeschilderd wordt.
De noodtoestand is helaas geen grapje. De rechtbanken van de Republiek hebben vele jaren effectieve gevangenisstraf uitgesproken. In het land van Rabelais heeft een rechtbank een ‘relschopper’ die zijn blote kont aan de politie getoond had, tot twee maanden effectief veroordeeld.
De revolte van de banlieues is niet de revolte van de islam zoals die door Gilles Kepel reeds lang aangekondigd is. Dat bepaalde islamitische groeperingen erin invloed trachten te winnen, met maar een zeer matig succes, staat boven twijfel verheven. Maar het massale karakter van de revolte van oktober en november 2005 toont daarentegen aan dat het verschijnsel gelijkaardige wortels kent als de urbane revoltes van de zwarte minderheden van de VS in de jaren 1960-1970. Al willen de fanatici van de ‘Franse uitzondering’ er niet graag van horen, toch hebben deze rellen van oktober en november 2005 alles van een urbane opstand van etnische minderheden, al zullen deze woorden de op hun stadsplanning trotse technocraten en de republikeinse ideologen kwetsen. We zullen zien dat de hardnekkigheid waarmee ze hun ogen voor het meest evidente sluiten, een groot deel van het Franse probleem uitmaakt. Het probleem ligt niet zozeer bij de relschoppers, bij de niet-geassimileerden of bij de niet-‘geïntegreerden’, maar bij de instellingen, bij het onderzoek.
De kwestie die momenteel op tafel ligt en die niet meer met enkele retorische pirouettes van ‘de Republiek’ en van ‘de sociale kloof’ kan weggemoffeld worden, is die van de boodschap die de relschoppers hen geven.
Ik wik mijn woorden, en het is opzettelijk dat ik hier de term ‘boodschap’ gebruik. De weigering tot spreken die de haastige journalisten van het establishment getroffen heeft, is een boodschap op zich. Elke opvoeder weet dit. Het woord dat men tot je richt moet je verdienen. Zij veronderstelt vertrouwen, liefde en respect, geen oorlogsverklaring. Ze is uiteraard niet de bekentenis die op een politiebureau voor een proces-verbaal uit je mond getrokken wordt. De oorlogszuchtige taal van de Minister van Binnenlandse Zaken, aangekondigd met een zeer dwaas of fascistoïde: ‘We gaan de cités met een kärcher zuiveren’ (5), kon geen ander antwoord krijgen. Men kan zich overigens afvragen of dát niet het antwoord was dat hij verwacht had. Wilde onze kleine Napoleon IV geen kleine slachtpartij van Saint-Roch om te verschijnen als een nieuwe sterke man, de ‘redder’ die in het monarchale bewustzijn van de grote Natie rondwaart? Die slag werd verloren. De relschoppers zijn kalm gebleven, zoals in mei 1968, zelfs indien er een nieuwe radicaliteit ontstaan is. Rekening houdende met de dagelijkse excessen, met het racisme, met de rampzalige toestand van discriminatie op de arbeidsmarkt, op de woningmarkt, zonder het dan nog te willen hebben over de andere culturele discriminaties die minstens even erg zijn, kunnen we stellen dat Frankrijk er nog goed vanaf komt. Hoorden de relschoppers dan niets? Was hun hardnekkig zwijgen dwaasheid? Dat lijkt moeilijk te geloven, als we zien dat elke provocatie van de regering (Sarkozy sprak op zondag 30 oktober over ‘racaille’ en over ‘nultolerantie’, de maatregelen die Villepin op dinsdag 1 november aankondigde) hebben een verbreding van de verontwaardiging met zich meegebracht.
Ja, maar waarom hebben de relschoppers zich vergrepen aan de collectieve schoolvoorzieningen (crèches, scholen, bussen)? Het in brand steken van scholen werd als zeer onrechtvaardig ervaren. Wat men echter dikwijls vaststelt bij jongeren die uit de middelbare school uitgesloten worden, is dat ze dikwijls naar hun oude school teruggaan om deze in brand te steken. De mislukkingsgraad is zodanig hoog dat de instelling niet meer ervaren wordt als een hulp, maar als een instrument van vernedering, van eliminatie, van nog méér discriminatie. Een school in brand steken waar je niet meer kunt volgen en die men je blijft aanprijzen als het enige oord via hetwelke je iets kunt bereiken, dat is ook de uitdrukking van een krenking.
Het geluid van het tautologische en lege discours van de Staat over de orde, over de autoriteit die moet hersteld worden, over de alomgeldigheid van de wet, beoogde de zwakke auditieve en analytische capaciteiten van de vierde macht te bevredigen. Zij is daar gedeeltelijk in geslaagd, maar de weinige reportages, ter plekke gemaakt, waren veelzeggend; en de latere reacties, de pogingen tot analyse en de voorstellen, hebben eindelijk in het land iets aan het licht gebracht dat reeds lang van buitenaf zichtbaar was. De universaliteit van de Republiek, dit trotse Franse model dat tot vervelens toe aan de rest van de wereld voorgehouden wordt, is niet alleen even naakt als de Angelsaksische integratiemodellen, maar ze is dat zelfs ongetwijfeld nog veel méér.
Dankzij dit lange oproer en deze echte revolte kan men niet meer verbergen dat Frankrijk blind is voor de raciale en seksuele dimensie van de sociale kwestie, iets wat in de huidige mondialisering zeer belangrijk is. Ze kan niet langer ontkennen dat ze kleurenblind is (colour-blind zeggen de Britten): de tv-zenders hebben het elke dag over de problemen van de integratie van de banlieues waarbij ze jonge Zwarten tonen, dikwijls Fransen of jongeren afkomstig uit onze voormalige kolonies (bijvoorbeeld uit Ivoorkust, waar het Franse leger actief is), maar de commentatoren blijven het hebben over Maghrebijnen en over het islamisme; en de Staat, in de hoedanigheid van zijn chef en van die van Eerste Minister, blijft onverstoorbaar elk legitiem bestaan van het communautaire verschijnsel in de Franse publieke ruimte ontkennen, waarbij hij ‘zijn model’ en ‘zijn opvatting’ van de integratie plaatst tegenover de ‘slechte’ Angelsaksische opvatting (die in feite protestants is, maar dat weet hij niet) van erkenning van de etnische communautaire afkomst, die niet kan uitgesloten worden als we willen vertrekken vanuit het reëel bestaande en niet vanuit het Volk zoals dat door de regering opgevat wordt. Alain Duhamel heeft dit onmiddellijk bemerkt toen hij, in zijn tribune in LibÈration, sprak van de brandstapel van de Republiek. Het is het Franse integratiemodel dat bij de rellen verbrand werd, veeleer dan enkele carrosserieën.
De Republiek bleek naakt te zijn, en zijn republikeins gewaad bleek slechts uit wind te bestaan. Precies omdat het dit onvoorzichtig en met kinderlijke nonchalance uitgesproken heeft, roept deze revolte zoveel repressie maar ook zoveel uiteenlopende en tegenstrijdige meningen op.
* Uit: Yann Moulier Boutang, La révolte des banlieues ou les habits nus de la République (Paris: Editions Amsterdam, 2005). De auteur is hoofdredacteur van het Franse blad ‘Multitudes’ (http://multitudes.samizdat.net). Vertaling: Johny Lenaerts.
Noten:
(1) Deze vrije tribune van Françoise Blum in Le Monde van 11 november 2005 werd in vertaling opgenomen in het artikel ‘Heersers moet je eten met pikante saus’, door Johny Lenaerts, gepubliceerd in Buiten de Orde, lente 2006. Online: www.yabasta.be.
(2) Terwijl er in Frankrijk op 8 mei 1945 de overwinning op het nazisme gevierd werd, richtte het Franse leger in Sétif en in Guelma, ten noorden van Constantine, een waar bloedbad aan, waarbij volgens sommigen 45000 Algerijnen het leven lieten. Deze gebeurtenis wordt algemeen beschouwd als het begin van de Algerijnse Onafhankelijkheidsstrijd.
(3) In maart 1947 werd in Madagaskar een opstand door het Franse leger onderdrukt, waarbij er 89000 doden te betreuren vielen.
(4) Op 17 oktober 1961 werd in Parijs een betoging van immigranten voor de onafhankelijkheid van Algerije op een brutale manier uit elkaar geslagen. Er vielen tientallen doden, honderden gewonden, duizenden Algerijnen werden uitgewezen, 11500 manifestanten werden gearresteerd. Parijse politieagenten wierpen Algerijnse manifestanten in de Seine. Dat alles onder het bevel van politiecommissaris Maurice Papon, die onder de oorlog een hoge functionaris van het Vichy-regime was, en in die hoedanigheid verantwoordelijk voor de jodenvervolging in Frankrijk, iets waarvoor hij later veroordeeld werd.
(5) Kärcher: bekende hogedrukreiniger.
*Dit artikel verscheen in ‘Buiten de Orde’, lente 2008.
